Verkiezingsuitslag vergroot daadkracht Amerika niet

De positie van president Clinton is na de tussentijdse verkiezingen aanmerkelijk verbeterd. Marianne van Leeuwen gelooft dat dit nauwelijks zal uitstralen op de Amerikaanse buitenlandse politiek. In de komende jaren zullen grote initiatieven schaars zijn.

De Amerikaanse verkiezingsuitslagen van vorige week hebben internationaal veel opgeluchte reacties uitgelokt. Daar was enerzijds goede reden voor. Het toekomstscenario zag er de laatste weken somber uit. Als de kiezersopkomst nog lager was geweest, hadden de Republikeinen hun meerderheid in het Congres zien groeien in plaats van slinken. Dan had Newt Gingrich nu victorie gekraaid en was hij niet opgestapt. Dan had de procedure tot afzetting van president Clinton een gebed zonder eind kunnen worden, begeleid door treurige onthullingen van nog meer intieme details over diens halfbakken seksuele relaties. De politieke top van de Verenigde Staten zou zijn lamgelegd, met schadelijke gevolgen voor het eigen land en de wijde buitenwereld. Ook internationaal doen zich immers tal van problemen voor die alleen met consistent volgehouden Amerikaanse besluitvaardigheid en inzet nader tot een oplossing kunnen worden gebracht. Te denken valt aan het stoppen van geweld in burgeroorlogen het indammen van `schurkenstaten', de beheersing van economische crises of de ondersteuning van vredesonderhandelingen. Internationaal zouden vijanden van de Verenigde Staten baat hebben gehad bij een lange afzettingsprocedure. Die buitenkans lijkt nu hun neus voorbij te gaan.

De president is nog niet geheel uit de impeachmentproblemen, maar zijn positie is stellig minder ongemakkelijk dan eind oktober. De Democratische partij staat er landelijk zelfs veel beter voor, al blijft ze in Huis en Senaat in de minderheid. Tegelijkertijd krijgen Republikeinse aanvoerders die het nationaal en internationaal leiderschap van de Amerikaanse regering in de waagschaal wilden stellen ten behoeve van kortzichtig partijpolitiek gewin, door hun eigen partijgenoten de rekening voor hun roekeloosheid gepresenteerd.

De momentopname is kortom fleurig, maar toch kunnen te hooggespannen verwachtingen in de nabije toekomst makkelijk tot teleurstellingen leiden, ook internationaal. Enkele ontnuchterende kanttekeningen zijn op hun plaats.

De eerste betreft het verloop van een presidentiele cyclus. Een plausibele theorie wil, dat grote initiatieven van een Amerikaanse regering vooral kans van slagen hebben als ze worden gelanceerd in het tweede jaar van een presidentschap. De president en zijn team zijn dan ingewerkt en ze hoeven zich nog niet in te zetten voor herverkiezing. Vanaf het derde jaar van de eerste termijn neemt de druk van de naderende verkiezingen toe en daarmee daalt de bereidheid tot riskante beleidsinitiatieven. In het vierde jaar moeten de president en zijn naaste medewerkers, inclusief de leden van zijn kabinet, een groot deel van hun agenda vrijhouden voor het veiligstellen van de herverkiezing. Als de president ook een tweede termijn mag dienen, is hij persoonlijk immuun geworden voor electorale druk. Hij kan immers niet meer herkozen worden. Dat betekent echter niet automatisch dat hij makkelijker met grootse beleidsvoorstellen kan komen juist omdat zijn tegenstanders weten dat zijn politieke jaren geteld zijn. Ze kunnen hier behendig op inspelen door te rekken en te vertragen. En zelfs medestanders van een president zijn de laatste jaren van zijn tweede termijn dikwijls steeds meer gepreoccupeerd door de vraag naar de opvolging. Als een president niet een overtuigend persoonlijk leiderschap heeft ontwikkeld gedurende zijn eerste termijn, kunnen de zojuist genoemde factoren hem in zijn tweede termijn opbreken. Ook goed ingevoerde buitenlandse medestanders en opponenten maken gebruik van deze karakteristieken van de presidentiele cyclus.

Wat betekent deze theorie als ze wordt losgelaten op de laatste jaren van Bill Clintons presidentschap? Dat grote initiatieven schaars en weinig kansrijk zullen zijn. Clinton is, ondanks de recente verkiezingsuitslag, een verre van overtuigend leider. Zijn partij zal hem inhoudelijk nog wel willen steunen, bijvoorbeeld bij zijn plannen voor modernisering en versterking van oudedagsvoorzieningen, maar ze heeft in het Congres numeriek niet de kracht om beleid door te drukken tegen Republikeinse wensen in.

De Republikeinse partij lijdt op het ogenblik nog sterker dan tevoren aan verdeeldheid. Ze kent maatschappelijk-conservatieve en economisch-conservatieve stromingen. De eerste legt de nadruk op `morele' kwesties als de verderfelijkheid van abortus, homoseksualiteit en dergelijke, de tweede kritiseert de verderfelijkheid van overheidsinmenging in economische processen. Zij verschillen geregeld met elkaar van mening over de partijkoers. Tot nu toe stonden in het Congres de economisch-conservatieven het sterkst. Of dat zo blijft is onzeker. De huidige interne bezinning kan, mede met het oog op de presidentsverkiezingen van 2000, heel goed tot nog meer maatschappelijke behoudzucht leiden. Het relatieve verlies van vorige week wordt immers vrij algemeen toegeschreven aan een tekort aan inspirerende thema's.

Als de Republikeinen zich duidelijker van de Democraten willen onderscheiden moeten ze verder opschuiven naar de rechterzijde van de samenleving. Dan zal hun natuurlijke achterban in 2000 wellicht meer geneigd zijn te gaan stemmen dan afgelopen week het geval bleek. Het is daarbij geruststellend voor Republikeinse leiders dat de hoge opkomst op 3 november onder vooruitstrevende Democratische zwarte kiezers waarschijnlijk incidenteel was.

Een herhaling in 2000 spreekt helemaal niet vanzelf.

Het politieke lot van Gingrich illustreert het Republikeinse dilemma. Gingrich heeft naam gemaakt als de geestelijk vader van het radicale Contract met Amerika-programma dat de Republikeinse leden van het Huis enkele jaren geleden nog naar opzienbarende electorale overwinningen voerde. Hem wordt nu, opvallend genoeg, in eigen kring vooral voor de voeten geworpen dat hij Clinton de laatste jaren te weinig inhoudelijk tegenwicht heeft geboden, en dat hij tijdens de verkiezingscampagne geen enkele inspirerende boodschap had weten te brengen. Een tweede verwijt geldt zijn gebrek aan tactisch inzicht. Gingrich bleef in de afgelopen campagne verkapt verwijzen naar de Lewinsky-affaire. Dat getuigt, aldus zijn critici, van onbegrip voor de voorkeuren en het stemgedrag van Amerikaanse kiezers.

Onder druk van zijn Republikeinse collega's is Gingrich afgelopen weekeinde opgestapt als Speaker van het Huis van Afgevaardigden. De belangrijkste kandidaat voor die functie is een ervaren politicus, Bob Livingston, die bij beide partijstromingen goed ligt. Als voorzitter van de Huiscommissie die overheidsfondsen toekent gaf hij leiding aan grootscheepse bezuinigingsoperaties bij de federale overheid. Degenen die in hem een pragmaticus willen zien, verliezen zich misschien in wensgedachten. Livingston is bovenal all-round uitgesproken conservatief, getuige alleen al zijn steun voor de anti-abortusbeweging.

Beleidsvoorstellen van de regering zullen ook de komende twee jaar alleen aangenomen worden als de Democraten gelegenheidscoalities kunnen sluiten met leden van de opponerende meerderheidspartij in het Congres. Mochten de Republikeinen op de verkiezingsuitslag van vorige week reageren door hun ideologische profiel aan te scherpen - en daar ziet het naar uit - dan lijkt de kans op politieke samenwerking met de Democraten eerder af dan toe te nemen.

Het effect op de daadkracht van de regering laat zich denken.

Ook het buitenlands beleid van de Verenigde Staten wordt voor een deel bepaald door de hierboven aangestipte factoren: de uitslag van de stromingenstrijd binnen de Republikeinse partij, en het aflopen van Clintons presidentschap.

De mogelijkheden van de president om zich internationaal te laten gelden hangen mede af van (financiele) steun voor zijn beleid door de volksvertegenwoordiging. Republikeinse verrechtsing zal die steun kleuren. Dat de Verenigde Staten in de wereld leiderschap aan de dag moeten leggen is op zich tussen Democraten en Republikeinen niet omstreden. De vraag is hoe, met wie, en tegen welke prijs. Een opmars van de maatschappelijk conservatieven binnen de Republikeinse partij zal er, bijvoorbeeld, waarschijnlijk toe leiden dat de Verenigde Staten nog halsstarriger volharden in hun weigering hun VN-contributies volledig te voldoen. Aan de andere kant zal de regering wel steun kunnen vinden voor bepaald unilateraal ad hoc beleid, zoals optreden tegen terroristenbazen, als maar zo min mogelijk Amerikaanse militairen worden ingezet. Bij de Amerikaanse betrokkenheid bij internationale pogingen tot conflictoplossing zal die laatste factor sterk blijven wegen.

Wat de theorie over de presidentiele cyclus betreft: internationale tegenstrevers van de Verenigde Staten zijn al op klassieke wijze overgegaan tot vertragingspolitiek, getuige de gang van zaken rond het Wye Plantation-memorandum of de laatste `eens-kijken-hoe-ver-ik-gaan-kan' stappen van Saddam Hoessein. In deze trant is de komende twee jaar meer te verwachten.