Toneel over de wegglijdende geest

Voorstelling : Plein 23 door Toneelgroep Drang & Eskalibur Regie : Lucienne van Amelsfort, Freya Ligtenberg

“Als ik verdwijn, zul je me dan roepen,' zegt een van de personages in de voorstelling Plein 23. Onder deze nuchtere titel - ze verwijst naar het voormalige Ministerie van Buitenlandse Zaken aan Het Plein in Den Haag - gaat een aangrijpende voorstelling schuil. De toeschouwers, geleid door een gids, dwalen door het immense gebouw, door kelders en over trappen. Op verschillende locaties spelen zich korte, scenisch gemonteerde toneelvoorstellingen af, geschreven door Ton Theo Smit.

Dat `verdwijnen' uit het citaat is het sleutelwoord voor Plein 23. Het stuk gaat over het verijlen, het wegglijden van de menselijke geest ofwel door ziekten als Alzheimer en dementie, of door aangeboren afwijking. De verstandelijk gehandicapte acteurs die meedoen, symboliseren deze raadselachtige vernietiging van de hersencellen. Het knappe van de uitvoering is de volstrekte zuiverheid en eerlijkheid van het spel. Daardoor komt elke scene zo dichtbij. En dan besef je ineens hoe fragiel de menselijke geest is. Uit de dunste draadjes, als van zijde, die zo kunnen knappen, lijkt die te bestaan. Lees bijvoorbeeld Hersenschimmen van J. Bernlef of Vroeger is dood van Inez van Dullemen, en de ver reikende tragiek van Plein 23 is duidelijk.

Aan de basis van het stuk liggen De Zeven Hoofdzonden en De Goede Mens van Sezuan van Bertolt Brecht. In de kelder wordt hij gespeeld door Gijsbert van Looyen. Zijn dikke brillenglazen, het korte haar, de hoekige motoriek herinneren inderdaad aan de toneelschrijver. Voor het raam is prikkeldraad gespannen waaraan vellen volgeschreven papier hangen; hij heeft, net zoals in Beckett's Krapp's laatste band een bandrecorder op zijn werktafel staan. Hij houdt een monoloog over herinneren en verdwijnen, en de paradox dat als niemand hem zich kan herinneren - heeft hij dan wel bestaan?

Plein 23 is een voorstelling aan de rand van het niets. De acteurs maskeren niets, ze vermommen niets, ze zijn zoals ze zijn. Ze zijn afkomstig uit een dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten. Feitelijk zijn ze, voor ons, ver weg uit het dagelijkse leven. Daarom is hun aanwezigheid zo overtuigend.

In de scene `Hitler' speelt Sander van 't Walderveen de Fuhrer.

Met Goring doet hij alsof het veroveren van Europa een jongensspel is. Buiten komen intussen figuranten aangelopen koffers meezeulend, jassen aan, de gele Davidsster opgeprikt. Bij de entree hangt een krantenbericht: geestelijk gehandicapten werden in de Tweede Wereldoorlog als proefkonijn gebruikt. Regisseurs Lucienne van Amelsfort en Freya Ligtenberg schuwen de heftige confrontatie niet, en dat getuigt van moed. Het slachtoffer beeldt de dader uit.

Het realisme dat Plein 23 nastreeft en bereikt, heeft evenzeer met de artistieke vorm te maken als met de eigenschap van de acteurs. Ik vond de scene in een kamer van een verzorgingstehuis waar de mannen en vrouwen langzaam tot dementie vervallen ontluisterend en tegelijk, dank zij de taal en de regie, van een verontrustende schoonheid. De regie is erin geslaagd elke acteur of actrice zich tot een volwaardig speler te laten ontwikkelen. Dat is ongemeen knap en boeiend; we kijken naar een toneelvoorstelling die gewonnen is op het drama van het leven: de geest die verijlt.