Sportbolwerk van stoere jongens

Het CIOS in Overveen viert zijn vijftigjarig jubileum. Een opleiding tot sportleider die veel tot de verbeelding heeft gesproken. Hoe lang nog in het kwetsbare Nederlandse klimaat van sportonderwijs?

Jonge, gezonde lijven van frisse meisjes en stoere jongens hollen en springen over de vloer van de Haarlemse sporthal. Hedendaagse danspasjes, oogverblindende acrobatiek en indrukwekkende vechttechnieken benemen de toeschouwers bijna de adem. Het tempo is naar de geest van de tijd hoog. Op de tribune duizelt het de honderden oudjes voor de ogen. Dit is de manier van huidige cursisten van het CIOS om aan oud-cursisten te laten zien hoe sportbeoefening zich in de laatste vijftig jaar heeft ontwikkeld.

Het 50-jarig jubileum van het Centraal Instituut voor de Opleiding van Sportleiders in Overveen staat in het teken van de nostalgie. Oud-leerlingen herinneren zich de jaren vijftig toen het internaat in de villa Duinlust een bolwerk was van stoere jongens, jongens die zich aan een ijzeren discipline lieten onderwerpen en op militairistische wijze werden klaargestoomd om de mensheid als sportleider van dienst te kunnen zijn. Een jongensclub, waarin zich harde leermeesters van de lichaamsbeweging ontwikkelden.

Leo Beenhakker, de trainer van Feyenoord, is lang niet de oudste van de aanwezigen. Maar hij wordt wel voorgesteld als een van de oude mannen die het hebben gemaakt dankzij het CIOS. Toen hij zich later ging bekwamen in het voetbaltrainersvak wist hij al zoveel van medische, psychologische, pedagogische en organisatorische aspecten dat voor hem het behalen van het hoogste diploma oefenmeester een wassen neus was. Hij wilde compleet zijn als sportleider, nou, het CIOS bleek daarvoor een stevige basis, roept Beenhakker.

En zo probeert oud-cursist, oud-judoka en oud-journalist Aad van den Heuvel, tegenwoordig tv-presentator, tijdens de ceremoniele bijeenkomst in de sporthal het positieve effect van de CIOS-opleiding te benadrukken.

Met zeker honderd zware en vechtlustige mannen was hij destijds tijdens de judolessen geconfronteerd. Hij had ervan geleerd en had begrepen wat incasseren was. Net zoals Hans Kraay, Guus Hiddink Reinier Paping, Adrie Zwaanswijk, Joop Brand en Arthur Numan en heel veel andere bekende oud-CIOS-studenten.

Adrie Zwaanswijk, korfbalgoeroe tot in lengten van dagen, vertelt op de tribune dat hij in 1952 aan de tweejarige CIOS-opleiding begon. “In 1953 werden we zelfs gecruteerd om zandzakken te leggen tijdens de watersnoodramp. En wat dacht je van twee uur zwemmen in water van zestien graden. Weerstand opdoen, zelfstandig leren worden, met mensen leren omgaan, netwerken opzetten, alles leerde je', weet de oude man zich te herinneren. Wanneer een klasgenoot herinnert aan de Spartaanse methoden, zeven uur op, veldloop, ontbijt, lessen lunch, middagslaapje, praktijklessen, mompelt Zwaanswijk: “Ja, hollen in alle vroegte bij Kraantje Lek en naar het Kopje van Bloemendaal. Afzien, maar heerlijk. Wat een tijd!'

Koos Henneveld, ex-bondscoach judo en sportschoolhouder, was klasgenoot van Aad van den Heuvel en Hans Kraay. “Er waren twee klassen van 25 jongens, alleen jongens. Om de 2.500 gulden lesgeld per jaar te kunnen bekostigen ben ik eerst gaan varen. De toelatingseisen waren streng. Vereiste schoolopleiding was minimaal Mulo of HBS-3, niet bijzonder hoog. Belangrijker was dat je werd onderworpen aan testen over persoonlijkheid, lichaamscoordinatie, gezondheid en sportervaring. Je was trots als je op het CIOS mocht. En nog trotser als je het gehaald had. Dat gevoel overheerst hier bij iedereen.'

De plannen voor een sportopleidingsinstituut waren er al voor de Tweede Wereldoorlog.

Meer vrije tijd, de neiging meer te gaan sporten, de behoefte aan lichamelijke beweging, de ondersteuning door mensen die weten dat sport de gezondheid bevordert kregen steeds meer gestalte. Pas na de oorlog konden de plannen worden verwezenlijkt op initiatief van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. In september 1948 werd in villa Duinlust het CIOS geopend. Een sportschool voor mannen nog. Maar in 1957 volgde in Arnhem het CIOS voor vrouwen, wat nu gemengd is, en weer later de CIOS-sen van Sittard, Heerenveen en Goes.

Het was een moeilijk begin. Het CIOS werd niet serieus genomen. De opleidingen tot leraar lichamelijke opvoeding (ALO's) werden wat betreft intelligentieniveau hoger ingeschat. Daarnaast ontwikkelde elke sportbond eigen trainerscursussen. Niettemin schoolde het CIOS een enorm aantal sportleiders die hun weg vonden als sportinstructeur in gevangenissen revalidatiecentra en andere instellingen. Sport bleek een adequaat middel om mensen te (re)socialiseren, afleiding te bezorgen en gezond te maken of te houden. De steun van de overheid bleef echter gelimiteerd.

De CIOS-sen hielden zich weliswaar staande, maar moesten zich wel veranderingen in het onderwijs laten welgevallen. Vandaar dat op het instituut in de bosrijke omgeving van Overveen nu ook verpleegsters detailhandelaren en anderen naast sportlievende mensen hun opleiding genieten. Het multifunctionele instituut heet sinds enige jaren Nova-college en telt nu vijftienduizend leerlingen en duizend docenten. Een schaalvergroting die leidt tot economische ingrepen, zoals verkoop van het schilderachtige Duinlust en zelfs tot verhuizing naar een andere locatie. Het is hard voor de cursisten van het eerste uur, maar de marketingmechanismen van de 21ste eeuw zijn niet te keren.

De woorden van Ernst Happel, wijlen no-nonsense trainer, echoen nog tussen de muren van het CIOS Overveen. “CIOS-loel', placht hij te zeggen wanneer een trainer ter sprake kwam die zich had bijgeschoold aan het sportinstituut. Trainen is een kwestie van ervaring en inzicht en die doe je alleen op het veld op, meende de Oostenrijkse trainer uit de vervlogen jaren zeventig. Jaren later beseft de voetbalwereld dat er meer nodig is dan een goede traptechniek en charismatische en autoritaire uitstraling om een succesvolle trainer en leider te worden. Het CIOS kan nog steeds iets bijdragen. Wie de frisse meisjes en jongens heeft zien spetteren in de Haarlemse sporthal weet dat de behoefte aan sportopleidingen in Nederland volop leeft.