Roemenie zakt weg in apathie

Roemenie kreeg vorige week van Europees commissaris Van den Broek een negatief rapportcijfer: er wordt te weinig hervormd. Inmiddels wordt in Boekarest erkend dat van een crisis sprake is. En dat die heel diep gaat, wordt ook toegegeven.

Het hoge woord was er vorige week eindelijk uit: Roemenie verkeert in een staat van crisis. Er was veel kritiek van de Europese Unie voor nodig geweest. Er was ook veel kritiek (en financiele terughoudendheid) van het IMF voor nodig geweest, want een IMF-delegatie wilde van kredieten even niets weten en verliet Boekarest deze week met achterlating van vriendelijk advies, en niet meer dan dan. En veel intern geruzie was nodig geweest, over privatiseren, niet privatiseren, sneller privatiseren, over weglopende investeerders, over herstructurering van de economie en van de regering, over de mogelijkheid of de onmogelijkheid om volgend jaar de buitenlandse schuld af te betalen. Maar vorige week donderdag gaf president Emil Constantinescu het dan eindelijk toe: “Roemenie treedt een extreem serieuze economische crisis binnen'.

Gisteren sloegen de vier partijen die de regering vormen - de christen-democraten de sociaal-democraten, de liberalen en de partij van de Hongaarse minderheid - de handen ineen: de regering wordt geherstructureerd, toch maar, en eindelijk. Het aantal ministeries wordt verkleind, van 23 tot 17, het ministerie van Hervormingen raakt zijn status kwijt en wordt een afdeling onder directe zeggenschap van de premier, het ministerie van Privatiseringen verdwijnt. Stroomlijnen is het devies.

Het is de vraag of stroomlijning van het beslissingsproces de oplossing van de Roemeense crisis veel dichterbij brengt. Op het hoogste niveau is genoeg geherstructureerd, in Roemenie, sinds de ex-communisten van Ion Iliescu in 1996 na zeven jaar plaatsmaakten voor de hervormingsgezinden die nu aan de macht zijn. Maar de crisis in Roemenie heeft vele bronnen, en het haperende besluitvormingsproces is er maar een.

De Russische crisis speelt een rol. De corruptie speelt een rol. De onwil en het onvermogen om de grote publieke sector te privatiseren speelt een rol, net als de ontoereikende of gebrekkige wetgeving ten aanzien van de privatisering. Mooie woorden zijn er genoeg, en plannen ook, maar ergens op de lange weg van de ministeriele kantoren naar het stadium van uitvoering raken die plannen in het ongerede: ze verwateren, ze stranden op de onwil van bureaucraten en bedrijfsdirecties en op de reusachtige schulden van staatsbedrijven, ze lopen vast in het moeras van bureaucratische en fiscale belemmeringen en op het gebrek aan vertrouwen van buitenlandse investeerders, die liever naar landen gaan die niet of minder corrupt zijn en hun wetgeving wel op orde hebben. Er wordt veel gepraat en weinig gedaan. “Woorden als hervormingen en herstructurering hebben elke betekenis verloren', vond al in september Constantinescu.

Deze week kon de regering eindelijk een opsteker noteren: de Griekse Telecom koopt 35 procent van Romtelecom. Het was de eerste opsteker sinds lang. Maar dat ene succes kan niet verhullen dat er al maanden helemaal niet meer wordt geprivatiseerd. “Zolang geen sprake is van dynamiek bij de leiding van staatsbedrijven en zolang alleen maar onverschilligheid te zien valt bij het Staatsprivatiseringsfonds, zal niemand hier iets kopen', merkte Constantinescu al vorige maand op. “Zolang we die zieke mentaliteit, de mentaliteit van het centralisme, die we uit het verleden hebben geerfd niet achter ons laten, zullen we niets realiseren.' Het probleem van Roemenie, zei onlangs premier Radu Vasile, is dat “de mensen de vruchten van de welvaart willen plukken zonder de risico's van de markteconomie te willen nemen'.

Het heeft geleid tot een duidelijke vermindering van de buitenlandse belangstelling. Constantinescu kon zich vorige maand opwinden over “het cynisme' van dat buitenland: “De tijden dat men Polen en Slovenie miljarden dollars aan schulden kwijtschold zijn voorbij. Nu verlaten buitenlandse investeerders de markt bij het eerste negatieve signaal. We moeten alleen vechten, en in keiharde omstandigheden.' Dat mag waar zijn, het probleem ligt niettemin in Roemenie zelf, bij dat onvermogen te hervormen.

Premier Vasile heeft getracht het probleem te bestrijden door in september een paar belangrijke ministers weg te sturen en zelf de controle over het privatiseringsproces in handen te nemen. Het heeft niet geholpen, want er is nog een probleem misschien wel nog groter: het lijkt er vaak op dat Vasile's vijanden vooral in zijn eigen coalitiepartijen zitten. Interne ruzies zijn aan de orde van de dag. Sterker: ze verlammen het hervormingsproces.

De afgelopen twee jaar is de dagelijkse politieke agenda gedomineerd door ruzies tussen de christen-democraten van eerst premier Ciorbea en later zijn opvolger Vasile en de sociaal-democraten van Petre Roman. Roman c.s. laten geen kans voorbijgaan om met kritiek op de christen-democraten te scoren. Ruzies binnen de regering en in het parlement, met name over het tempo en de aard van de hervormingen, worden steeds weer breed uitgemeten en moeten dan omslachtig worden gesust. De partij van de Hongaarse minderheid dreigt al maanden uit de coalitie te stappen omdat de coalitiepartners hardnekkig trachten onder hun belofte om de minderheid haar eigen Hongaarstalige universiteit te geven, uit te komen. De coalitie wekt aldus voortdurend de indruk elk ogenblik uiteen te kunnen vallen.

“Als de kiezers zouden zien wat wij in het parlement doen zou niemand meer komen stemmen', zei de oppositiesenator Victor Apostolache onlangs tegen het blad Adevarul.

En Radu Vasile doet er weinig aan. Zijn voorganger Victor Ciorbea, die in april struikelde over het geruzie in zijn eigen ministersploeg, was een workaholic agressief, streng en onbuigzaam - maar hij kon de partners niet bijeenhouden. Vasile, zo schreef onlangs een Roemeense krant, is een makkelijk mens, behandelt hervormingen als een soap en verandert twee keer per dag van mening. Hij is informeel en pragmatisch, maar ook hij kan geen eind maken aan het gekrakeel in eigen kring.

De kiezer is inmiddels al lang op de politiek uitgekeken. President Constantinescu genoot twee jaar geleden het vertrouwen van 70,7 procent van bevolking, nu is dat 25 procent. Premier Vasile genoot in april, bij zijn aantreden het vertrouwen van 41,5 procent van de Roemenen, nu van 21 procent. Slechts een procent van de Roemenen is zeer tevreden over de regering 48 procent is er ongelukkig mee. De oppositie zou vandaag de verkiezingen winnen en vooral de ultranationalisten kunnen hopen op winst, op een verdrievoudiging van hun aanhang zelfs.

Erger nog is dat alle partijen en politici vertrouwen hebben verspeeld: twintig procent van de kiezers vindt geen enkele partij capabel en bij de burgemeestersverkiezingen in Boekarest bleven vorige en deze maand dan ook van elke drie kiezers er twee gewoon waar ze waren: thuis.