Robert Redford

In een reeks profielen van eigentijdse sterren deze week Robert Redford de charmantste en intelligentste padvinder van Hollywood, die in The Horse Whisperer voor het eerst zichzelf regisseert.

Zijn enige Oscar won Robert Redford als regisseur, voor de debuutfilm Ordinary People (1980), en als acteur werd hij maar een keer genomineerd (The Sting, 1974). Van de vijf films die hij tot nu toe regisseerde zijn er drie van uitzonderlijk niveau, en twee heel behoorlijk. De verdiensten van Redford als oprichter (in 1980) van het Sundance Institute, dat zonder winstoogmerk de onafhankelijke Amerikaanse filmproductie stimuleert vallen moeilijk te overschatten: Quentin Tarantino ontwikkelde er het scenario van Reservoir Dogs en het is de organisator van het belangrijkste Amerikaanse filmfestival, in Park City, Utah. Je zou bijna denken dat het imago van Redford als de eeuwig jonge blonde god op z'n 61ste nog steeds onweerstaanbaar, het zicht op zijn werkelijke belang belemmert.

Charles Robert Redford jr. (Santa Monica 18 augustus 1937) heeft lang moeten vechten tegen de neiging van menigeen om een Californische surfjongen, die een honkbalbeurs voor de universiteit binnensleepte, niet serieus te nemen. Voor zijn filmdebuut in 1962 (War Hunt) was Redford een verdienstelijk televisieacteur; hij viel op in een paar integere, maar ongeinspireerde films van Robert Mulligan, en als jeune premier tegenover Jane Fonda in Barefoot in the Park (1967) alvorens de sterstatus tegenover Paul Newman te bereiken in Butch Cassidy and the Sundance Kid (1970), na de hoofdrol in The Graduate te hebben afgewezen.

Opvallend aan Redfords filmografie is zijn loyaliteit aan bepaalde regisseurs (George Roy Hill, Sydney Pollack), maar ook de talloze personages die van politiek engagement getuigen, van een onverwoestbaar geloof in eenvoudige Amerikaanse waarden. Hij was een Kennedy-achtige politicus op dood spoor in The Candidate (1972), de liberale vrijer van communiste Barbra Streisand in The Way We Were (1972) een verdediger van de natuur in Jeremiah Johnson (1973) en Watergate-onthuller Bob Woodward in All the President's Men (1976).

Wat moet er van het mooie en goede Amerika terechtkomen als honkbal geen religie meer is (The Natural, 1984) en er in tv-spelletjes vals gespeeld wordt (Quiz Show, 1994)?

In de keuze van zijn idealen is Redford altijd een frisse padvinder gebleven, die zelfs zijn aanval op het Hollywood-establishment kwartier liet maken in de Rocky Mountains maar hij weet zijn maatschappelijke opvattingen, zeker in de films die hij zelf regisseert, wel intelligent en genuanceerd te verwoorden. En die jongensachtige glimlach, die meer zelfspot dan arrogantie suggereert (ook al doet hij Demi Moore een Indecent Proposal van een miljoen), daar is uiteindelijk geen cynicus tegen opgewassen. Misschien is Redfords frisse uiterlijke verschijning toch meer de essentie van zijn succes dan zijn niet te loochenen schranderheid. Je zou wensen dat elke Hollywoodpersoonlijkheid zo fatsoenlijk en zo eigenwijs was, maar Redford is een wandelende contradictio in terminis. Alleen door zijn charme komt hij weg met de suggestie dat zijn cowboy in The Horse Whisperer het veel genuanceerder stadse personage van Kristin Scott Thomas een lesje geeft in spiritualiteit.