Medelijden

Je kunt de mensheid op veel manieren in twee groepen indelen. In de 20ste eeuw was het onderscheid onderdrukten - onderdrukkers bijzonder populair. Het marxisme (en lange tijd ook het feminisme) waren hierop gegrondvest. Sinds de ineenstorting van de grote ideologieen heeft het begrippenpaar onderdrukkers/onderdrukten aan relevantie ingeboet. Een andere visie kwam op, die beter aansloot bij een geindividualiseerde en gefragmenteerde wereld, namelijk een indeling van de mensheid in lijders en mede-lijders.

Het verschil is duidelijk. Onderdrukkers en onderdrukten staan in nauwe relatie met elkaar, de ene groep is zelfs de oorzaak van de andere. Maar lijders en mede-lijders hebben in principe niets met elkaar te maken. Er bestaan enerzijds slachtoffers (individuen, groepen of hele volken tegelijk) en anderzijds mede-lijders, die part noch deel aan de hele ellende hebben, maar zich desondanks geroepen voelen de helpende hand te bieden.

Het menselijk leed is intussen niet merkbaar afgenomen en vormt een constante in de wereldgeschiedenis, onafhankelijk van de filosofische bril waarmee men dat leed beschouwt. Het probleem met de nieuwe indeling ligt in de vrijblijvendheid ervan. Wie werkt met het begrip onderdrukking kan meteen een heel rijtje actiepunten opnoemen ter verbetering van de wereld. Wie werkt met medelijden, weet een dikke muur van ongeinteresseerdheid om zich heen.

A. de Swaan boog zich in de afgelopen Zaterdag-bijlage over de psychologische achtergronden van het medelijden. Meestal heeft men het in de sociale wetenschappen over `altruisme', als het gaat over belangeloos handelen, waar een ander beter van wordt. De Swaan gebruikt `medelijden', een begrip dat met z'n waas van incorrecte neerbuigendheid iets is wat mensen liever van zich afschuiven. Medelijden is een gevoel, altruisme is een daad. Ga je over medelijden zitten theoretiseren, dan verzeil je onvermijdelijk in een verhandeling over motieven, wensen, gevoelens en behoeften.

De Swaan richt de schijnwerper op de mind-set, datgene wat vooraf gaat aan het al dan niet helpen van slachtoffers. Wie eenmaal een tik van de psychoanalytische molen heeft gekregen, komt daar nooit meer van los.

Het nadeel van theoretiseren over psychologische afweermechanismes die mensen zoal aan de dag kunnen leggen (De Swaan voorspelt sombertjes de terugkeer van het vrolijke slachtoffer) is dat het zo weinig relevantie heeft voor de status quo.

Het probleem van de vluchtelingen en asielzoekers wordt onvergelijkbaar veel sterker beinvloed door economische en fysieke factoren dan door de psychologie van de zelfrechtvaardiging. Eerst wordt er een economische of fysieke grens bereikt, mensen willen bijvoorbeeld niet nog meer geld uitgeven aan asielzoekers of de opvangadressen zitten vol, en daarna komen pas de afweermechanismes er achter aan hobbelen. Het analyseren van afweermechanismes en schuldgevoelens (ze ebden weg bij het tot wasdom komen van de verzorgingsstaat, ze steken weer de kop op bij het dreigende failliet van de verzorgingsstaat) is een mooie intellectuele exercitie, maar verder nogal gratuit. Geen enkele politieke partij, geen enkele burger, geen enkele vluchteling kan uit deze analyse consequenties voor de praktijk trekken. Dat komt doordat De Swaan gevoelens als analyse-eenheid neemt en die zijn eigenlijk niet zo belangrijk, in ieder geval een stuk minder belangrijk dan gedrag.

Wat heeft De Swaan over gedrag van individuen (in tegenstelling tot gedrag van instanties) te zeggen? Hij wijdt er een alinea aan, die ik hier even kort samenvat: `Niemand trekt er op uit om particulier het leed te verzachten, niemand vleit een jas om de schouders van een thuisloze, niemand stuurt eigenhandig een voedselpakket naar Somalie, niemand biedt een asielzoeker onderdak op zolder, niemand stelt voor eigen rekening een invalide gastarbeider te werk.' Door deze passage schemert de niet mis te verstane boodschap dat wij hier met ons allen een stelletje egoisten zijn die ons medelijden maar al te graag uitbesteden aan instanties, zodat we onze handen niet zelf vuil hoeven te maken. We stellen geld ter beschikking, maar blijven zelf buiten schot.

Het komt er op neer dat ons medelijden niet voldoende is, omdat we zelf niet lijden. Niet echt tenminste. De ware altruist offert zichzelf op.

We hebben hier te maken met een christelijke toonzetting en de passage lijkt sterk op een preek. Met preken moet je uitkijken, want de retorische tournures kunnen je in een positie manoeuvreren, waar je helemaal niet wezen wilt. `Ziet de lelien des velds, ze spinnen noch arbeiden. En ziet de vogels in de bosschages, ze zaaien noch maaien.' Kan een schoolkind deze wijsheid aangrijpen om zijn aardrijkskundeproefwerk niet te leren? Volstrekt niet. Hij moet zichzelf niet met een lelie vergelijken en gewoon z'n huiswerk maken.

De Swaan heeft een paar absurde voorbeelden van altruistisch gedrag bij elkaar gezet, die inderdaad niet voorkomen juist omdat ze zo irrationeel zijn. Er zijn genoeg andere meer reguliere voorbeelden te verzinnen: vrijwilligerswerk voor vluchtelingen of Amnesty asielzoekers Nederlands leren of in huis opnemen (gebeurt dus wel) tieners die demente bejaarden helpen (vorige week nog op de tv) sportactiviteiten voor de jeugd begeleiden in je vrije tijd. De assumptie `niemand trekt er op uit om particulier het leed te verzachten' blijkt bij nadere beschouwing nergens op te slaan. Dat mensen vrijwilligerswerk leuk of interessant vinden, is niet iets wat tegen hen gebruikt mag worden. Motieven doen niet ter zake. Het gedrag (mensen helpen) is van zichzelf goed en wordt niet minder waard omdat er geen zelfopoffering bij te pas komt. Alleen radicale christenen als Sint Franciscus en Moeder Theresa doen aan zelfopoffering, maar verder is het een excentrieke levenshouding, die geen ouder z'n kinderen bijbrengt.

Het marxisme en het christendom smeedden allebei banden tussen de verdrukten en de niet-verdrukten en faalden. Ook de verzorgingsstaat blijkt het wereldleed niet aan te kunnen. Tast dat feit mijn gemoedsrust aan, zoals De Swaan meent? Helemaal niet. Ieder streeft z'n eigenbelang na, maar er blijft genoeg ruimte om `het goede' te doen. En vervolgens zit je leven vol.