Kamer ziet noodzaak van regels voor opsporing

De Tweede Kamer begint vandaag aan het debat over het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden, een uitvloeisel van de commissie-Van Traa.

RPF'er Andre Rouvoet, ooit lid van de parlementaire enquetecommissie opsporingsmethoden, geeft het zelf toe. “Het kabinet heeft niet alle voorstellen van de commissie-Van Traa overgenomen. En dat is goed, want onze voorstellen blonken soms niet in helderheid uit.'

De voorstellen van de commissie-Van Traa zijn al weer enigszins belegen - ze dateren van februari 1996. De kritiek in die dagen was niet mals; Van Traa en de andere enqueteleden zouden de opsporing te veel aan banden willen leggen. De aanbevelingen waren “verstikkend gedetailleerd'. Rouvoet kan zich de kritiek op de (technische) details wel voorstellen maar benadrukt de noodzaak van wetgeving. Een tweede crisis in de opsporing mag er nooit meer komen.

De Tweede Kamer, die vandaag en morgen het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden behandelt onderschrijft die opvatting. Stiekeme inkijkoperaties, criminele burgerinfiltranten, de doorlating van grote hoeveelheden drugs op de markt; het mag niet meer gebeuren. Maar de vrees van korpsbeheerders hoofdcommissarissen en leden van het openbaar ministerie voor dichtspijkeren van de opsporing is ongegrond, zeggen de Kamerleden eensgezind.

De behandeling van het wetsvoorstel heeft lang op zich laten wachten. De eerste aanzet tot de IRT-affaire, die zou uitgroeien tot een van de grootste schandalen in de geschiedenis van de opsporing werd vijf jaar geleden gegeven. Op 7 december 1993 gaven de toenmalige Amsterdamse burgemeester Ed van Thijn, korpschef Eric Nordholt en hoofdofficier Hans Vrakking een kort persbericht uit. Het Interregionale rechercheteam Noord-Holland Utrecht, opgericht om de zware georganiseerde misdaad te bestrijden, was opgeheven wegens een omstreden opsporingsmethode; de Haarlemse politie had een informant toegestaan grote hoeveelheden softdrugs te importeren.

Er is sinds die dagen veel gebeurd. In de politiek traden de - weliswaar demissionaire - ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, Ernst Hirsch Ballin en Ed van Thijn, af. Hirsch Ballins opvolger, Winnie Sorgdrager (D66) dreigde ook bijna te vallen over de kwestie; op de dag van haar aantreden ondertekende zij immers de gouden handdruk voor een van de hoofdrolspelers, de Amsterdamse procureur-generaal Rutger van Randwijck. Binnen het openbaar ministerie werd de reorganisatie versneld ter hand genomen. En bij de politie trad vooral stilte op - in afwachting van een wettelijke regeling voor opsporingsmethoden durfde geen enkele hoofdcommissaris het hoofd van zijn mensen “vrijwillig in de strop IRT te steken', zoals een van hen zei. De politie heeft daarom regelmatig ge-ageerd tegen het lange uitblijven van wettelijk vastgelegde opsporingsmethoden. De behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer kon hen niet vroeg genoeg komen. Dat wetsvoorstel is grotendeels gebaseerd op de aanbevelingen van de commissie-Van Traa. De opsporingsmethoden worden expliciet vastgelegd in de wet, de minister moet in een aantal gevallen zelf toestemming geven en de rechter moet alle methoden kunnen toetsen. De Tweede Kamer is het grotendeels eens met het wetsvoorstel - op een aantal zaken na.

De doorlating van kleine hoeveelheden drugs in uitzonderlijke gevallen bijvoorbeeld, bekend als het muizengaatje, ligt vast in een richtlijn van de het college van procureurs-generaal en niet in de wet. Onder aanvoering van het Tweede-Kamerlid Ella Kalsbeek (PvdA) zou een meerderheid van de Kamer vandaag vragen dit wel wettelijk vast te leggen. Op hun beurt willen de oud-leden van de enquetecommissie RPF'er Rouvoet en Rabbae (GroenLinks) het doorlaten van drugs “absoluut' verbieden.

“Ik weet dat ik weinig kans maak', aldus Rouvoet, “maar het is de laatste kans om de bevindingen van de commissie-Van Traa voor het voetlicht te brengen.'

Voor de criminele burgerinfiltrant wil de Kamer eveneens een muizengaatje. De commissie-Van Traa heeft de inzet van burgerinfiltranten ontraden. Dat leidde al tot gemopper van andere Europese opsporingsdiensten, die vaak wel burgerinfiltranten gebruiken; met Nederland konden ze in de toekomst niet meer samenwerken. Een meerderheid van de Kamer wil dan ook toch een gaatje in de wet openhouden. Het kabinet voelt daar ook voor, maar de burgerinfiltrant mag dan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen worden ingezet, zoals ontvoeringen en gijzelingen.

Een andere, derde kwestie is al geregeld. De Kamer toonde zich in eerste instantie tegenstander van het direct afluisteren in woningen. Maar hun gedachten veranderden na een bezoek aan Amerikaanse opsporingsinstanties in New York, vorig jaar november. De Amerikanen vertelden hen mafiabaas Castellano gepakt te hebben, mede dankzij een bug onder zijn keukentafel. Was direct afluisteren verboden, dan zouden boeven toch ongestoord zaken kunnen doen in hun villa's? Aan het eind van die dag waren de Kamerleden om - op GroenLinkser Rabbae na. De Kamerleden weten overigens tot op de dag van vandaag niet dat een afgevaardigde uit de Nederlandse politiewereld een week voor het bezoek van de Kamerleden bij zijn Amerikaanse collega's langs kwam om hen op deze `lancune' in de Nederlandse wet te wijzen. De voorzitter van de enquetecommissie, Maarten van Traa, die vorig jaar omkwam bij een auto-ongeluk, heeft altijd sterk geageerd tegen het “verzwakken' van de voorstellen van de commissie. Desondanks zei zijn partijgenoot Kalsbeek, die vandaag voor de PvdA het woord voerde, afgelopen maandag in het tv-programma Netwerk dat hij best tevreden zou zijn geweest.

Muizengaatje voor het doorlaten van drugs