`Een orkest is net een schoenenfabriek'; Gesprek met jazzpianist Abdullah Ibrahim

Abdullah Ibrahim : African Suite (for trio and string orchestra) Enja Records

Jazzpianist en -componist Abdullah Ibrahim is ervan overtuigd dat het trio, gecentreerd rond de piano, de bron van de jazz het best benadert. Toch nam hij een cd op met een twintigkoppig strijkorkest. “Klassiek geschoolde musici spelen wat er staat, maar zo werkt het niet in de jazz.'

“Weet je hoe de Watusi dansen?' vraagt componist en pianist Abdullah Ibrahim. Zonder op een antwoord te wachten veert hij op van de bank, trekt zijn grijze wollen trui strak over zijn licht bollende buik en begint met opgeheven hoofd en rechte rug op en neer te wippen op de ballen van zijn voeten. “West-Afrikaanse dansen zijn totaal anders', zegt hij terwijl hij dit illustreert door zijn rug te krommen en zijn arm te bewegen alsof hij graan oogst met een sikkel. “De Watusi zijn veehouders uit Midden-Afrika, die door te springen en zich zo lang mogelijk te maken hun koeien in de gaten proberen te houden', aldus Ibrahim. “De volkeren uit Ghana, Benin en Ivoorkust zijn landbouwers die alleen maar aandacht hebben voor wat zich op het veld recht onder hun neus afspeelt. Als je die dansen buiten hun context ziet, dan wordt het al snel mysterieus en vreemd terwijl de verklaring erg praktisch is. Hetzelfde geldt voor Afrikaanse muziek, die haar typisch Afrikaanse karakter simpelweg ontleent aan de omgeving waarin zij ontstaat. Omdat ik Afrikaan ben en mij laat inspireren door de melodieen uit mijn jeugd in Zuid-Afrika, is mijn muziek Afrikaans.'

Deze Forrest Gump-achtige `African is as African does'-definitie van Afrikaanse muziek heeft Abdullah Ibrahim (geboren in 1934 in Kaapstad onder de naam Johannes Brand en tot zijn bekering tot de islam in 1968 bekend onder de naam Dollar Brand) er nooit van weerhouden steeds opnieuw de geografische herkomst van zijn muziek te onderzoeken. De meer dan vijfentwintig opnames die hij in de afgelopen drie decennia op zijn naam zette, dragen meer dan eens verwijzingen naar het zuidelijke continent in de titel. Na onder andere African Sketchbook (1969), African Space Program (1973) en African Marketplace (1979), heeft hij African Suite aan zijn discografie toegevoegd.

Naast Ibrahims trio, dat bestaat uit hemzelf op piano, Belden Bollock op contrabas en George Gray op drums, is op deze nieuwste cd het twintigkoppige strijkorkest van het Youth Orchestra of the European Community te horen.

Dit samenwerkingsverband met een groot strijkorkest is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk voor een muzikant die al jaren de overtuiging uitdraagt dat de trioformatie gecentreerd rond de piano het dichtst bij de fundamentele representatie van de Afrikaanse bron komt.

“Gedurende mijn hele carriere als muzikant koester ik al de ambitie om iets met strijkers te doen', bekent de jazzveteraan. “Met een traditionele jazzformatie heb je een beperkt scala aan kleurklanken. Strijkers brengen een kleur voort die echt iets toevoegt aan de interpretatie van de muziek. Het pianotrio blijft natuurlijk de centrale commandopost, van waaruit de compositie wordt gestuurd. De drums zetten de ritmes neer die zo'n essentieel onderdeel zijn van alle Afrikaanse muziek. De piano neemt de plaats in van de marimba en de bas is een uitgebreide variant op de eensnarige snaarinstrumenten die je veel tegenkomt in zuidelijk Afrika.

“Ik heb eerder al geprobeerd samen te werken met onder andere Deense, Finse en Zuid-Afrikaanse orkesten, maar op een of andere manier werkte het nooit helemaal', zegt Ibrahim. “Het probleem is dat ik mijn muziek schrijf in jazznotatie. Klassiek geschoolde musici spelen gewoon wat er staat en zo werkt jazz gewoonweg niet. Als je bijvoorbeeld achtste noten hebt, dan moet je strijkers triplets laten spelen om hetzelfde effect te krijgen. Orkestleden spreken een muzikale taal die totaal verschilt van het jazzidioom. Ik heb het daarom op een gegeven moment opgegeven met orkesten samen te werken.'

Behalve op het praktische probleem van arrangeren, stuitte Ibrahim in het verleden ook meerdere malen op diepgaande cultuurverschillen tussen de werelden van jazz en klassieke muziek. “Een orkest is net een fabriek', zegt hij. “De muzikanten komen iedere dag naar het concertgebouw, ze klokken in en om stipt tien uur leggen ze hun instrumenten neer omdat het tijd is voor een theepauze. Ik vind het ondenkbaar dat je, wanneer je middenin een stuk zit, op je horloge kijkt en gewoon stopt.

Ook wat het musiceren zelf betreft is een orkest vergelijkbaar met bijvoorbeeld een schoenfabriek. Een sectie maakt de zool, een andere de veters en de dirigent staat erbij als een manager, die in de gaten moet houden of er op het einde een goede schoen van de band afrolt.' Ibrahim moet zo hard lachen om zijn eigen vergelijking dat hij bijna van de bank afglijdt.

In de strijkers van het Youth Orchestra of the European Community vond Ibrahim muzikanten die openstaan voor zijn muzikale ideeen en minder vastgebakken zitten aan de hierarchische structuren en klassieke achtergronden dan de meeste gerenommeerde orkesten. Ibrahim: “Dit is de nieuwe generatie die niet alleen naar klassiek luistert, maar ook naar rap, jazz en heavy metal. Gelukkig maakte ik kennis met Daniel Schnyder die mijn composities wist om te zetten in passende arrangementen voor strijkers.'

Ondanks hun ontvankelijkheid moest Ibrahim ook de leden van het jeugdorkest losweken van een aantal westerse noties. Om hen uit te leggen vanuit welke geest zijn composities gespeeld moeten worden zette hij zijn jarenlange oefening in Oosterse vechtsporten in. “Duw mijn arm zo hard mogelijk naar beneden', sommeert de zestiger terwijl hij zijn arm uitsteekt.

Ondanks de kracht die ik op het aangeboden lichaamsdeel uitoefen, blijven de grijns op Ibrahims gezicht en de positie van zijn arm onveranderd. “Kijk, dat is innerlijke kracht', verduidelijkt Ibrahim ten overvloede. “Het westerse idee van kracht is gebaseerd op naar buiten gericht spierballenvertoon. In westerse muziek resulteert dat in bombastisch gegalm. En dat terwijl er eigenlijk maar een klein geluidje nodig is om een grote hal te vullen.'