De oorlog is over!

In juni 1918 was ik zes jaar geworden. Sinds april van dat jaar bezocht ik de Groen van Prinstererschool op het Koningsplein te IJmuiden een lagere school op gereformeerde grondslag. Op een ochtend in november toen de school uitging, rende ik, hongerig als altijd, naar huis. Ons huis bevond zich in de Annastraat, maar onze poort, achter het huis, kwam in de Adrianastraat uit. Alleen voor plechtige of stemmige gelegenheden deed de voordeur in de Annastraat dienst.

Al uit de verte zag ik mijn moeder, met enkele vrouwen uit de buurt bij onze poort staan. Er moest iets heel ongewoons zijn gebeurd, want mijn moeder had zelfs niet de moeite genomen haar keukenschort af te doen.

“Wat is er gebeurd', riep ik.

“De oorlog is over' antwoordden de vrouwen in koor. Ik drukte mij tegen mijn moeder aan, greep naar haar handen, keek omhoog en vroeg: “Kosten de wortelen nu weer een halfje?!'

Ik zou niet in staat zijn geweest mij dit voorval te herinneren wanneer ik niet die voor mij onthullende vraag had gesteld. Zelfs een eenvoudige winterpeen was blijkbaar een kostbare lekkernij geworden, waardoor het mij ook is bijgebleven dat ik een wortel, wanneer ik er al eens een had gekregen, met behoedzame tanden rondom afknaagde om het binnenste ongeschonden vrij te maken, de ziel van de wortel die zoveel sappiger en zoeter was dan het vezelige omhulsel waarvan ik op een ingehouden extatische manier kon genieten. Ook in ons land heersten, door de geallieerde blokkade van Duitsland, schaarste, honger.

Met betrekking tot de oorlog zelf drongen slechts geruchten tot mij door gebrekkige informaties, flarden nieuws uit de ontoegankelijke wereld van de volwassenen. Er liep een vissersboot op een mijn. “Met man en muis vergaan', hoorde ik een buurman tegen mijn vader zeggen. Aan wat later de Toeristensteiger werd genoemd lag een Duitse oorlogsbodem. Gewonden werden aan wal gebracht, de Duitsers kregen toestemming hun doden te begraven. Ik zag de begrafenisstoet langs het kanaal trekken, de scheepskapel voorop, met omfloerste trom. Ik hoorde, ook al voor het eerst, de treurmars van Chopin. Een oom kende de woorden bij die muziek: “Zo gaat Japie naar de bliksem toe!' Hij grinnikte erbij.

Ik keek verschrikt naar mijn vader die voor zich uit staarde, alsof hij het niet had gehoord.

Er gebeurden wonderen, dat vermoedde ik al wel, goeie en kwaaie mirakels. Mijn vader had een zak tarwe gekocht. Op vrijdagavond maalde hij het graan, stuurde mij naar de kruidenier om voor twee centen gist te halen. Ik zag mijn vader het beslag kneden en ik benijdde hem daar om. Het beslag werd in een broodvorm gedaan, die met een vochtige doek erover achter de kachel in de huiskamer werd gezet. De volgende ochtend was het beslag gerezen, vulde het blik tot aan of over de rand. Ik vond dat wonderbaarlijk, begreep er niets van. Op zaterdagmiddag werd het brood in het fornuis in de keuken gebakken. Wanneer ik aan het eind van de middag moe en hongerig thuiskwam, rook het oudtestamentisch, op een heel zintuiglijke wijze godsdienstig.

Sinds enkele jaren heb ik een bakker gevonden die een brood bakt, waarvan de smaak van alle broden die ik in mijn leven heb gegeten, het dichtst de smaak benadert van het brood dat mijn vader in die verre oorlogsjaren bakte.

    • Adriaan Morrien