Platteland moet meer politie krijgen

Bij de komende verdeling van politiemensen moet het kabinet extra aandacht schenken aan de regio's in de landelijke gebieden, vindt Ton Rombouts. Op het platteland heeft men bij de reorganisatie van 1994 te veel mankracht ingeleverd ten faveure van de vier grote steden.

Minister Peper van Binnenlandse Zaken staat volgende week voor een lastige opgave wanneer de Tweede Kamer de politiebegroting behandelt. Hij zal de Kamer moeten uitleggen, hoe hij in deze kabinetsperiode 5.000 extra agenten 'op straat' denkt te krijgen. Volgens het regeerakkoord moeten de 25 regionale korpsen zelf 2.000 agenten uit hun huidige capaciteit vrijmaken. Peper moet voor de overige 3.000 zorg dragen.

Grote vraag is echter hoe hij die 3.000 nieuwe agenten tijdig kan werven, selecteren en opleiden. Daarnaast zal Peper de 25 korpsbeheerders en korpschefs ervan moeten overtuigen dat zij door efficiencymaatregelen best nog eens 2.000 agenten kunnen vrijmaken. En ook is onduidelijk hoe Peper de 3.000 extra politiemensen - en eigenlijk ook de 2.000 vrij te maken agenten - optimaal over het land zal verdelen. Komen zij weer bij voorkeur in de vier grote steden terecht, of zijn nu de landelijke gebieden aan de beurt?

Onder 'landelijke gebieden' versta ik die politieregio's waar de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de politie de laatste jaren tot op een bedenkelijk ongewenst en onverantwoord niveau is gedaald. En dan heb ik het dus met name over de dorpen op het platteland en een aantal wijken in de andere steden die ons land rijk is.

In het regeerakkoord staat dat de korpsen zelf eerst maar eens 2.000 mensen moeten vrijmaken door efficiencymaatregelen te nemen. Vanuit de korpsen en de vakbonden heeft het kabinet op dit punt al behoorlijk de wind van voren gekregen. Steevast wordt vanuit die hoek geroepen dat vrijwel alles op het terrein van de efficiciencyverbetering al is doorgevoerd. Nu lijkt het mij weliswaar een moeilijke opgave om op een totale politiesterkte van rond de 40.000 mensen nu zomaar ineens 2.000 formatieplaatsen vrij te maken.

Het is echter wel degelijk mogelijk om bij de korpsen efficiencywinst te boeken.

In de afgelopen jaren zijn in het korps Brabant-Noord tal van maatregelen doorgevoerd, waardoor tientallen extra agenten ingezet konden worden. Ik noem de invoering van de 'een-mens surveillance' (een in plaats van twee agenten in een auto), de afschaffing van het onder diensttijd eten en sporten, het terugdringen van het ziekteverzuim, de beperking van de gezamenlijke koffiepauzes de intensievere samenwerking met andere korpsen, het inzetten van niet-politiemensen voor ondersteunende werkzaamheden. Daarnaast is de keuze gemaakt om bepaalde taken minder aandacht te geven of helemaal niet meer uit te voeren, zoals het parkeertoezicht en het afhandelen van aanrijdingen met uitsluitend materiele schade.

Ook voor de komende periode zijn er tal van ideeen om de beschikbare politiecapaciteit nog beter te benutten. Want om dit laatste draait het natuurlijk: hoe kunnen wij meer politiemensen 'op straat brengen', opdat deze succesvoller zijn in de aanpak van de werkelijke problemen? Op het gebied van de drie topprioriteiten in ons gebied - geweld, jeugd, seks - willen wij extra menskracht inzetten. Ook in een regio als de onze, met een uitgestrekt plattelandsgebied en enkele middelgrote steden als 's-Hertogenbosch en Oss, worden wij immers in toenemende mate geconfronteerd met uitingen van zinloos geweld, overlast door jongeren en excessief gebruik van alcohol en drugs. Daarom leeft binnen ons korps de gedachte om nieuwe efficiencymaatregelen door te voeren. Zoals daar zijn het verbieden van voetbalwedstrijden en/of evenementen die een onevenredige politie-inzet vergen, het terugdringen van de papieren rompslomp bij bijvoorbeeld eenvoudige aangiften, interregionale samenwerking bij de inkoop van goederen, centraliseren van de beheersondersteuning, invoering van 'video-conferencing' en het doorberekenen van politiekosten bij evenementen.

Dat er extra politie moet komen, is niet meer de vraag. Die is beantwoord tijdens de formatie. Ook de omvang is bepaald. Nu komt het erop aan deze 3.000 agenten ook daadwerkelijk geworven geselecteerd en opgeleid te krijgen. Eigenlijk had hier gisteren al mee begonnen moeten zijn, want voordat je een nieuwe agent 'op straat' hebt is al gauw een paar jaar verstreken.

En dan is er nog het verdeelvraagstuk: hoe gaan de 3.000 nieuwe mensen over het land verdeeld worden? De simpelste manier is om deze ponds-pondsgewijs over de 25 politieregio's te verdelen. Elke regio krijgt er dan 120 politiemensen bij. Om verschillende redenen pleit ik er echter voor om bij de aanstaande verdeling de regio's in de landelijke gebieden extra aandacht te geven. En de vier grote stadsregio's (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) nu maar eens over te slaan.

Ten eerste hebben deze laatste regio's er de afgelopen jaren onevenredig veel politie bij gekregen. Zoveel zelfs dat de Amsterdamse korpschef Kuiper meldde 'genoeg mensen te hebben'. En dat nog wel vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen, toch bij uitstek het moment om claims op tafel te leggen. Uit de andere drie grote steden kwamen in die dagen evenmin signalen. Ook niet van de toenmalige burgemeester van Rotterdam. Anders ging het eraan toe in de landelijke gebieden, waar het ene na het andere incident de media haalde. Men denke hierbij aan de Oosterparkrellen in Groningen, de tragische dood van Meindert Tjoelker in Leeuwarden en die van Justus Herwig in Tilburg en de vechtpartij in het dorpje Zeeland. Bij dit laatste voorval zagen de twee dienstdoende agenten zich tegenover een overmacht aan gewelddadige jongeren geplaatst.

“Krijgen die twee agenten dan geen versterking uit naburige dorpen of steden?' is een veel gestelde vraag. Natuurlijk is die versterking er gekomen, maar veel te laat, want hier wringt de schoen.

Op het platteland heeft men bij de reorganisatie van 1994 te veel mankracht ingeleverd ten faveure van de grote steden. In mijn regio betrof dit 100 formatieplaatsen op een totaal van 1.200. Dit heeft ertoe geleid dat in de streek zo grofweg tussen 's-Hertogenbosch en Nijmegen, met tussen de 500 a 600.000 inwoners, in de avond- en nachtelijke uren gemiddeld niet meer dan 35 politiemensen op de been zijn. En dat in de binnenstad van 's-Hertogenbosch op vrijdag- en zaterdagavond, wanneer duizenden mensen zich in het uitgaansleven storten slechts acht politieagenten aanwezig zijn. En waar men in Amsterdam tegenover elke 168 inwoners een politieagent kan inzetten, is deze verhouding in Brabant-Noord 1 op 494.

Nu rechtvaardigt de hoofdstedelijke problematiek ook wat mij betreft zeker een dubbele sterkte, maar een driedubbele gaat toch wat ver. Zeker als men hierbij beseft dat de aanrijtijden op het platteland veel langer zijn dan in stedelijke gebieden.

Dat is ook de reden waarom wij in Brabant-Noord evenals enkele andere regio's onlangs besloten hebben om bij de verdeling van de sterkte binnen onze regio de factoren 'beschikbaarheid' en 'bereikbaarheid' voortaan zwaarder te laten wegen ten opzichte van de factoren 'werkdruk' en 'problematiek'.

Hopelijk gaat minister Peper dit voorbeeld volgen bij de verdeling van de beloofde 3.000 extra politiemensen tussen de regio's en laat hij deze uitbreiding nu eens bij voorbaat ten goede komen aan de landelijke gebieden.

    • Ton Rombouts