Pikanterie rond mannen in jurk en zonder onderbroek

Cadance. Op hoeveel manieren kan een man in zijn kruis grijpen? Wie iets over het kruistasten wil leren kan terecht bij de voorstelling Kafavis van choreografen en dansers Oerm Matern en Jean Louis Barning.

Zij lieten zich inspireren door de Griekse dichter en mannenliefhebber Konstantinos Petrou Kafavis (1863-1933) die, in een tijd waarin niet iedereen dat gewend was, vrijmoedig schreef over thema's als zelfbevrediging. Ook schreef hij over zaken als geschiedenis, herinnering en kunst. Wie de voorstelling ziet zou echter denken dat homo-erotisch 'vogue-en' de essentie was van zijn poezie.

Matern en Barning doen een half uur lang namelijk niets anders dan dat. Op de achtergrond worden Kafavis' gedichten met ploppende microfoon voorgedragen in het Grieks, de dansers dragen zelf een enkele regel in het Nederlands voor en ondertussen wordt hard geoefend op narcistische zelfexpressie. Onderbroek uit, rollebollend toneelneuken, diepzinnig kijken op de gedragen vioolklanken van Franz Schubert, wapperende handjes en hier en daar een been strekken. Klaar is een eendimensionale ode en een uitermate magere choreografie.

Matern staat in mijn geheugen gegrift als de oogstrelende solodanser in Vortex van Krisztina de Chatel en het atletische bewegen van Barnings wordt altijd goed benut door choreografen als Truus Bronkhorst. Ondanks het feit dat ze regie-adviezen hebben gekregen, zijn beide dansers er echter niet in geslaagd hun talenten in goede banen te leiden. Een strenge meester zou op z'n plaats zijn, zou Kafavis hebben gezegd.

Die strenge meester had dan meteen bij Bennie Bartels en Pim Boonprakob langs kunnen gaan. In hun nieuwe choreografie Onder-weg 86-98 worden twee gescheiden solo's gedanst die pas aan het eind nogal gekunsteld bij elkaar komen. De man verruilt in het begin zijn onderbroek voor een speels en o zo ondeugend lingeriepakje. Om het publiek vervolgens op een hoop spiervertoon te trakteren, met veel geschaats in slow motion. De dame schuifelt door de ruimte, bijna kronkelend en vooral in zichzelf gekeerd. De ijle en serene muziek van Tibor Szemzo heeft een extreem hoog oorwurm-gehalte en wiegt je heerlijk door de voorstelling heen. Hier en daar klinken er wat pseudo-poetische kreten op de band ('there is indeed the inexpressible, it shows itself it is mystical') die veel meer dan de dans de aandacht opeisen.

Onder-weg 86-98 gaat ten onder aan een verkeerd soort mystificatie.

Pikanterie was ook te zien in A touch of Weill van de Spanjaard Joaquim Sabate. Behalve danser is Sabate sinds enkele jaren ook zanger. Hij combineert beide disciplines en A touch of Weill is zijn derde dansopera. Opera is een beetje een duur woord; operette of revue zou meer op z'n plaats zijn. Op de overbekende muziek van Kurt Weill ('Surabaya Johnny') wisselen de drie muzikanten en twee dansers menigmaal van rol. Het dansende dikkerdje Arnon Zlotnik heeft een stem als een huis en als sm-travestiet op twintig centimeter hoge hakken heeft hij de lachers op zijn hand. Weill en zijn theatrale evenknie Brecht verenigden ooit de volkskunst en de hoge kunst, ter verheffing van de mensheid. Sabate probeert hetzelfde, maar veel van zijn theatrale acts zijn makkelijk amusement. Een man in een jurk: bingo! De zaal buldert. Twee vrouwen die een man te kakken zetten: geinig! Tussendoor wat modern dansende lichamen in een fladderend dansidioom en het krijgt pretenties. Pretenties zijn meestal pijnlijk. En soms gewoon flauw.

    • Ingrid van Frankenhuyzen