Paars II nog niet echt begonnen

Eigenlijk zijn de eerste honderd dagen van een kabinet in Nederland geen goede graadmeter. Maar volgens Mark Kranenburg zijn de eerste honderd dagen van Paars II een voorbode van spannende politieke tijden. Er is meer aan de hand dan de gebruikelijke aanloopproblemen.

Honderd dagen Paars II; honderd dagen Kok II. Vandaag op de kop af is het zover. Iets om apart bij stil te staan? De fractie van GroenLinks vond van wel en vroeg vorige week een speciaal Tweede-Kamerdebat aan om ter gelegenheid van de eerste honderd dagen de temperatuur op te nemen. Een onzinnig voorstel dat dan ook terecht door de rest van de Kamer werd afgewezen. Volksvertegenwoordigers zijn er om een kabinet op zijn daden te beoordelen, niet op zijn dagen.

De honderd dagen grens als generiek beoordelingsmoment is een tamelijk willekeurige. Het hoort bij landen waar nieuwe bestuurders met een geheel schone lei beginnen. Dan is een periode van ruim drie maanden een aardige om te bezien in hoeverre er werkelijk sprake is van een omslag. Vaak zijn het buitenstaanders die het oordeel vellen, maar bij succes zijn het ook de betrokkenen zelf. Zo trokken in de Verenigde Staten in het voorjaar van 1993 president Clinton en al zijn ministers het land in om de eerste honderd dagen te vieren.

In Nederland is vandaag geen verhoogde politieke activiteit. Honderd dagen, so what? Zeker binnen de Nederlandse verhoudingen waar een nieuw kabinet als gevolg van het coalitiestelsel nooit tot een complete machtswisseling leidt, is het bereiken van de honderd dagen grens niet iets om speciaal bij stil te staan. Kabinetten kennen immers altijd wel een constante factor. Tot 1994 was dat de aanwezigheid van de christen-democratie in het landsbestuur, daarna heeft de PvdA die rol overgenomen. Het begrip continuiteit en vernieuwing zit in het Nederlandse staatsbestel ingebakken. Daar komt nog bij dat Kok II qua partij samenstelling en programma een voortzetting is van Kok I zodat er eigenlijk al helemaal geen reden is voor een bijzondere momentopname.

En toch gebeurt het. Niet alleen in de journalistiek maar juist ook bij de betrokkenen op het Binnenhof zelf. Daarbij wordt de 100 dagen termijn niet exact aangehouden, maar komt men toch wel in de buurt. Zo was er eind vorige maand VVD-fractievoorzitter Dijkstal die het kabinet maande tot meer daadkracht. De nieuwe ministers waren volgens hem te aarzelend begonnen in een “onnodig, onrustige sfeer'. Vorige week nam D66-fractievoorzitter De Graaf tijdens een 'politieke tour d'horizon' in Haarlem diverse ministers de maat. Ook van hem geen juichverhaal. Op de een of andere manier lijkt het tweede kabinet-Kok maar niet van start te willen gaan. De eerste maanden hebben zich laten kennen door te veel incidenten en te weinig concreet beleid. Nu verliepen de wittebroodsweken van het eerste paarse kabinet ook niet allemaal even soepel. Toen steggelden de verse coalitiepartijen PvdA, VVD en D66 lustig over zaken als de uitbreiding van het Limburgse vliegveld Beek, de eventuele modernisering van de kerncentrale bij Borssele, de toekomst van de publieke omroep, de parlementaire enquete naar de opsporingsmethoden van de politie en - ook toen - over nieuwe toelatingsnormen voor asielzoekers.

Het weinig overtuigende begin van het tweede paarse kabinet zou dus kunnen worden afgedaan als de gebruikelijke 'aanloopproblemen'. Toch is dat te gemakkelijk. Juist omdat het een prolongatie betreft en de partijen dus aan elkaar gewend zijn, had het kabinet deze fase kunnen overslaan. Dat de coalitiepartijen na vier jaren van goed samenwerken thans in zo'n sfeer van onderling wantrouwen opereren, moet dan ook veel eerder te denken geven.

Bepalend voor het klimaat is allereerst de economische conjunctuur.

Vier jaar lang heeft het eerste paarse kabinet kunnen regeren in overvloed, waarbij de financiele meevallers elkaar in hoog tempo opvolgden. Halve koppelingen tussen lonen en uitkeringen werden zonder veel discussie hele koppelingen en een nieuwe herziening van het sociale-zekerheidsstelsel die als een zwaard van Damocles boven de coalitie hing bleef uit. Voor het huidige paarse kabinet ziet het er allemaal minder rooskleurig uit. De economische parameters zijn weliswaar gebaseerd op een behoedzaam scenario, maar bij een beetje tegenwind is direct alle rek eruit. De cruciale vraag is vervolgens of paars de souplesse kan opbrengen om ook in tijden van echt bezuinigen harmonieus met elkaar samen te werken. Een basisvoorwaarde daarvoor is onderlinge cohesie, maar dat is nu net datgene wat de laatste maanden heeft ontbroken.

Paars I was een breuk met ruim zeventig jaar door christen-democraten gedomineerd bestuur. Hoe 'gewoon' het kabinet-Kok volgens zijn naamgever dan ook zou worden, het was door het ontbreken van het altijd aanwezige CDA toch anders. Alleen om die reden al schiep dat verplichtingen aan de coalitiepartners er wat van te maken. Het cement van het nieuwe moet het tweede paarse kabinet ontberen. Ervoor in de plaats gekomen is het vooruitzicht dat ook paars maar een beperkte levenscyclus heeft. Naoorlogse coalitiekabinetten hebben nooit drie perioden achtereen eenzelfde samenstelling gekend. Met andere woorden: uitgaande van deze historische wetmatigheid is het tweede paarse kabinet tevens het laatste paarse kabinet. De geprikkelde verhoudingen in de Tweede Kamer tussen de coalitiepartners kunnen gemakkelijk beschouwd worden als een voorbode van toekomstige partnerruil.

Maar het is enkele maanden na het aantreden van het nieuwe kabinet wel wat vroeg voor dit soort troepenbewegingen. Deels heeft dit te maken met personen. PvdA en VVD hebben met Ad Melkert en Hans Dijkstal nieuwe fractievoorzitters gekregen die zich moeten bewijzen, terwijl bij D66 fractievoorzitter De Graaf als partijleider er een nieuwe profilerende taak bij heeft gekregen. Bovendien zit de laatste nog met de opdracht de electorale neergang te stoppen.

De statenverkiezingen van volgend jaar maart zullen de eerste echte testcase zijn. Dan moet blijken of Kok kan blijven rekenen op krediet van de kiezer, of de VVD ook zonder Bolkestein hoog blijft scoren en of D66 nu wel of geen reden van bestaan heeft. Dat vergt de komende maanden van alle coalitiepartijen zichtbaarheid. Maar, ook dat is een vast gegeven, hoe meer de coalitiepartijen zich manifesteren, hoe groter de spanning.

Dat hoeft voor een kabinet geen probleem te zijn. Integendeel, het zou niet de eerste keer zijn dat naarmate in de Tweede Kamer regeringsfracties meer afstand van elkaar nemen de ministers binnen het kabinet meer met elkaar solidariseren. Uit het kabinet hebben nog geen echte krijgsgeluiden geklonken. Maar hoe lang zal de kameraadschappelijke sfeer aanhouden, als er niet veel meer aan de orde is dan een voortzetting van het oude beleid?

Wat zich wreekt is dat het kabinet niet over een uitdagende agenda beschikt die moet worden afgewerkt. Op zich lijkt dat een luxe probleem. Leve het land waar niet telkens beleid hoeft te worden gemaakt. Aan de andere kant wordt van een kabinet een antwoord op maatschappelijke vragen verwacht. Bij de twee grote zaken die steeds terugkeren, Schiphol en de asielzoekers, blijft dat antwoord nu juist uit.

Niet verwonderlijk want voor het antwoord zitten de coalitiepartijen elkaar in de weg.

Honderd dagen Paars II. Eigenlijk is het een moment van niks. Maar als de coalitie na honderd dagen ook nog niks is, is het toch een moment om bij stil te staan. Waar Paars I ondanks de strubbelingen met elan begon heeft Paars II nog nauwelijks een begin laten zien en blijven alleen de strubbelingen over. Dat er desondanks nog heel lang kan worden doorgeregeerd heeft het kabinet-Lubbers/Kok bewezen. De afstraffing die de kiezer dat ruim vier jaar 'in de yoghurt schaatsende' kabinet gaf was echter ongekend. Zover zal niemand het willen laten komen. Paars I kon zich bezighouden met bestuur, Paars II zal zich moeten bezighouden met de politiek. Dat dit twee verschillende zaken zijn, hebben de eerste honderd dagen laten zien.