Onthullingen uit de tweede hand

Hebben de oud-ministers Westerterp en Lubbers tegen de regels van hun gilde in televisie-interviews uit de school geklapt of is de officiele geheimhoudingstermijn voor kwesties waar 'kroon' op staat naar moderne inzichten stilzwijgend bekort? Noch het een, noch het ander is het geval. Westerterp heeft gezegd dat het kabinet-Den Uyl (waarvan hij deel uitmaakte) in 1976 geen strafvervolging tegen prins Bernhard heeft doorgezet, omdat koningin Juliana dan zou zijn afgetreden. Lubbers heeft dat in woorden van dezelfde strekking herhaald. Maar in geen van de twee televisie-interviews wordt die 'onthulling' gedocumenteerd. De desbetreffende mededelingen zijn ministeriele herinneringen uit de tweede hand die slechts steunen op gemeengoed geworden kennis, die ze hebben opgedaan bij de koffieautomaten van het Catshuis. Van Lubbers' en Westerterps mededelingen gaat de suggestie uit dat zij bij de afhandeling van de Lockheedzaak betrokken waren en dus historische bronnen zijn. Dat waren ze niet. Daarvoor stonden ze, zoals een oudgediende uit het Catshuis het tegen mij zei, “te ver van de bron af', de een als minister van Verkeer en Waterstaat, de ander als minister van Economische Zaken. Maar ook feitelijk waren ze van inwendige kennis van het Lockheed-dossier buitengesloten.

Het nieuws dat koningin Juliana in 1976 zou zijn afgetreden als haar man strafrechtelijk zou worden vervolgd voor zijn betrokkenheid bij de Lockheed-affaire is al eerder voorpaginanieuws geweest, namelijk tweeentwintig jaar geleden, nog voordat de regering haar disciplinaire maatregelen tegen Bernhard bekendmaakte. Het was nieuws dat in de nissen van het Catshuis en vervolgens in de wandelgangen van de Tweede Kamer als vaststaand werd aangenomen. Het werd officieel nooit bevestigd en het bleef ook in het Kamerdebat buiten bespreking, omdat de regering met toepassing van het opportuniteitsbeginsel van strafvervolging afzag. Strikt genomen zijn de mededelingen die Westerterp en Lubbers en hun oud-collega Vredeling in het nog niet uitgezonden tweede deel van de NPS-documentaire (van volgende week maandag) daarover doen oud nieuws. Nieuw is alleen dat het nieuws afkomstig is van voormalige bewindslieden die een meer dan twintig jaar durend stilzwijgen verbreken. Volgens Lubbers heeft koningin Juliana haar 'dreigement' vervat in een brief aan minister-president Den Uyl en heeft het kabinet zich door het gewicht van die brief laten beinvloeden.

Lubbers zei vrijdagavond in het NOS-journaal, dat er een brief van die strekking op tafel lag, maar over inhoud of status van de brief liet hij zich niet uit. Uit zijn woorden werd niet duidelijk of de brief als het zwaard van Damocles boven tafel had gehangen, maar ook niet of de ministerraad over de brief had gesproken. Waarschijnlijk is dat niet zo, want de notulen van de ministerraad maken er geen melding van. Evenmin waarschijnlijk is dat Lubbers de brief zelf heeft gelezen. Aannemelijk is wel, dat koningin Juliana haar bezwaren tegen eventuele strafvervolging van haar man in een brief aan premier Den Uyl heeft kenbaar gemaakt, maar die brief heeft nooit onder de ministers gecirculeerd.

Zo'n brief zou tot het geheim van de kroon hebben behoord en slechts voor de ogen van de minister-president bestemd zijn geweest. De overige ministers zouden daarin niet zijn gekend.

In het overleg tussen koningin Juliana en prins Bernhard en diens advocaten en minister-president Den Uyl speelde de ministerraad alleen maar zijdelings een rol. De ministers hadden het reguliere overleg opgedragen aan een petit comite van vier collega's (Den Uyl, De Gaay Fortman, Van Agt en Duisenberg). Twee van die vier ministers lieten het directe contact met de koningin zoveel mogelijk over aan het tweemanschap Den Uyl/De Gaay Fortman. De officiele gedachte achter die zelfbeperking was dat met zo'n geconcentreerde coordinatie de eenheid van het kabinet gemaximaliseerd werd en het gekwek geminimaliseerd. Het kabinet als geheel werd stap voor stap, maar mondjesmaat, over de voortgang van het onderzoek geaarschijnlijkinformeerd. Discussies werden niet nodig bevonden, omdat alle coalitiepartijen door een vertrouwensman bij de ontwikkeling van de zaak betrokken waren. En voorzover Den Uyl het nodig vond de ministerraad in de zaak te betrekken, ging het om standpunten die hij namens het kabinet naar buiten bracht. Meestal werden de conclusies van het eerstverantwoordelijke tweemanschap meegedeeld onder het motto: “Zo doen we het'. De besprekingen over de positie van prins Bernhard werden bovendien zuinig genotuleerd om uitlekken langs die weg tegen te gaan. Den Uyls eigen notities werden zo selectief rondgedeeld dat ze goeddeels ongezien bleven. Als iemand zich daarover beklaagde kreeg hij te horen dat hij de instructie beter had moeten lezen. Die instructie luidde: “Vernietigen alvorens te lezen'.

Den Uyl trok de lijn van de vertrouwelijkheid zo strak aan, dat zijn politieke intimi, maar ook de partijgenoten onder zijn ambtgenoten, zich met het karigste rantsoen aan informatie tevreden moesten stellen. Hij was nooit kort van stof als het om onderwerpen van staatkundige en economische hervorming ging en hij hield binnen zekere marges ook wel van small talk maar over zijn relaties met de koningin sprak hij altijd met een angstvallige spaarzaamheid, een gewoonte die hij tot zijn dood in acht zou nemen. Aangezien Lubbers tot de buitenste kring van het kabinet behoorde, kan hij het 'dreigement' van Juliana nooit 'from the horse's mouth', maar alleen van horen zeggen hebben gehoord. Hetzelfde geldt voor Westerterp, die in de pikorde nog lager stond. In hun weergave van horen zeggen zijn ze overigens niet compleet geweest. Het ontbrekende element in hun verhaal is de reactie van kroonprinses Beatrix. Volgens de grapevine van het Binnenhof zou Beatrix destijds gezegd hebben: “Dan wil ik ook geen koningin worden.' Laten Van Kemenade en dagboekschrijver Stemerdink maar eens hun versie van de geschiedenis geven.