Nobele en intelligente adonis; JEAN MARAIS 1913-1998

Slechts weinige jongere bezoekers van Bernardo Bertolucci's Stealing Beauty (1995) zullen in de rol van de dementerende oude mijnheer Guillaume de op een na grootste mannelijke Franse ster van de jaren veertig en vijftig hebben herkend. De afgelopen zondag in een ziekenhuis in Cannes op 84-jarige leeftijd aan een longaandoening overleden Jean Marais was nobeler, minder volks en cynisch dan de net iets populairdere Jean Gabin.

Marais was de held die meisjesharten sneller deed kloppen in kostuum- en avonturenfilms; slechts weinigen onder hen begrepen dat hij meer was dan een goede vriend van zijn ontdekker Jean Cocteau, namelijk protege, muze en minnaar tot aan Cocteau's dood in 1963.

De op 11 december 1913 in Cherbourg geboren Jean Alfred Villain-Marais, die een kunstopleiding volgde en een niet onverdienstelijk schilder was, speelde al een paar jaar toneel, toen hij in 1937 Cocteau ontmoette, maar zijn iele stem had hem tot dan toe van hoofdrollen weggehouden. Cocteau schreef voor zijn vriend de moderne bewerking van Tristan en Isolde en superviseerde de door Jean Delannoy geregisseerde film L'eternel retour (1943), die van Marais een ster maakte. Daarna speelde Marais in Cocteau's La belle et la bete (1946), L'aigle a deux tetes (1947), Les parents terribles (1948) en vooral Orphee (1950). Marais' fijne gelaatstrekken maakten hem tot een ideaal icoon van Cocteau's lyrisch surrealisme. Nog steeds ging hij niet door voor een groot acteur, maar voor een plooibare en intelligente adonis, vooral zeer geschikt in diametraal tegengestelde dubbelrollen.

Later zou die reputatie bijtrekken, nadat Marais ruime ervaring had opgedaan in het theater en in talloze populaire kostuumfilms uit de school van de 'cinema de papa'. Toch was het vernieuwer Jacques Demy die Marais herontdekte voor de auteurscinema, in films als Peau d'ane (1970) en Parking (1985).

Tot voor kort stond Marais op de planken, onlangs nog als King Lear in Parijs. Hij schreef twee autobiografische boeken, schilderde, maakte keramiek en ontwierp decors, alles onder het motto: “Ik ben geen kunstenaar, ik amuseer me'. In een eulogie concludeerde president Chirac gisteren: “Vandaag verliezen talrijke Fransen iets van hun dromen en hun jeugd.'