Modern klassiek en jong en hip; Art Cologne vindt zijn plaats tussen beurzen van Berlijn en Basel

Het aanbod op de kunstbeurs Art Cologne in Keulen kent vele verrassingen. De Keulse beurs, die afgelopen weekeinde open ging, onderscheidt zich met succes van die van Basel en Berlijn.

Bezoekers aan een kunstbeurs als de Art Cologne, die dit weekend openging, beschouwen zichzelf meestal als professionals. Dat betekent dat ze in gestage tred langs de stands wandelen, hun blik koel over het gebodene laten glijden en alleen bij serieuze interesse bij een galerie naar binnen lopen. Onder deze omstandigheden moet een kunstenaar wel iets heel bijzonders laten zien wil het publiek zich rond zijn werk verdringen. Toch is dat precies wat er gebeurde in de stand van de Londense Anthony d'Offay Gallery bij het beeld Untitled (Shaved head) van Ron Mueck: het publiek dromde samen rondom deze uit siliconen opgetrokken, naakte hurkende man en bestudeerde hem van alle kanten - een enkele onverlaat kneep hem zelfs even in zijn arm. Shaved head was daarmee een kleine sensatie; niet onverdienstelijk voor een kunstenaar die een aantal jaren geleden nog poppen voor reclamefilmpjes maakte, maar sinds hij werd ontdekt door reclamemagnaat Charles Saatchi zijn werk met succes in galeries en musea kan exposeren.

Dit soort verrassingen waren tekenend voor de Art Cologne van dit jaar. De beurs, waarop zo'n 250 galeries uit 22 landen hun waren tonen, is de afgelopen jaren in een strijd verwikkeld geraakt met de concurrerende beurzen van Basel en Berlijn. Berlijn werpt zich daarbij op als de beurs voor jongere kunst Basel als de oude dame die al zo lang meedraait dat ze boven het strijdgewoel is verheven. Voor Keulen is het lastig daartussen een plaats te vinden, maar toch is Art Cologne daar behoorlijk in geslaagd. Het aanbod is gevarieerd, degelijk en soms verrassend, zoals het werk van Mueck (die officieel nog niet eens als kunstenaar uit de d'Offay-stal vermeld staat) of de kleine installatie van de Amerikaanse Sarah Sze, ook al een opvallende deelnemer aan de lopende Biennale van Berlijn.

Bij de New-Yorkse Marianne Boesky Gallery toonde ze in een soort gangkast opnieuw een werk dat volledig is opgebouwd uit kleine priegel-spulletjes: staketsels van lucifershoutjes, mini-ventilatoren, leeslampjes, draadjes en doosjes die gezamenlijk een bouwwerk vormen dat door de kleinste dreun lijkt te kunnen worden weggevaagd maar dat als door een wonder in alle beursdrukte stand houdt.

Om zich van de concurrentie te onderscheiden heeft Keulen twee speciale programma-onderdelen bedacht. Allereerst is een beeldententoonstelling, waar ruim dertig galeries de gelegenheid krijgen in een extra stand een beeldhouwer te presenteren. Daarnaast probeert Keulen de aandacht te trekken met een 'promotieprogramma voor jonge kunstenaars', waarbij twintig galeries naast hun eigen stand extra ruimte krijgen toebedeeld voor een jonge kunstenaar. Van die ruimte maakt vooral de Amsterdamse galerie Fons Welters met succes gebruik: het volledige hokje, zo'n acht meter lang en twee meter breed wordt in beslag genomen door een beeld van Tom Claassen dat nog het meest op een platgewalst nijlpaard lijkt, al omschrijft de galeriehouder het beest zelf als 'de rat' en meenden anderen er een krokodil in te zien. Aanstekelijk was het in ieder geval: kinderen lijken er een enorme knuffelbeest in te zien, bij volwassenen roept het dier vooral associaties op met een tot leven komend haardkleed.

Een ander voordeel, naast de voorkeurprogramma's, van Art Cologne is dat de beurs in segmenten is onderverdeeld, zonder daar al te dwingend in te zijn. De galeries met 'moderne klassieken' zijn grotendeels bij elkaar te vinden, net als de jongere en 'hippere' galeries die geacht worden de meer tegendraadse kunst verkopen.

Dat die zaken gemakkelijk door elkaar kunnen lopen blijkt vooral uit het werk van de Duitse schilders Gerhard Richter (66) en Sigmar Polke (57) van wie zo langzamerhand duidelijk is dat zij de klassieken van dit fin de siecle zullen vormen. Hun schilderijen foto's en prenten waren dan ook overal te vinden, Richter bij tien galeries, Polke bij maar liefst achttien, en hun prijzen nemen navenante proporties aan, als is het maar omdat verzamelaars er vanuit gaan dat hun werk een risicoloze belegging vormt. En dus moest er voor een abstract schilderijtje van 29 bij 37 centimeter van Richter bij Anthony d'Offay ruim 63.000 Dmark worden betaald; een grotere, van ruim vier vierkante meter, kost er meer dan 450.000 Dmark.

Dat je ook al klassiek werk kunt maken als je nog jong bent, bewijst de Amerikaanse kunstenaar Josiah McElheny. Van hem zijn bij de 'hippe' New-Yorkse AC Project Room een aantal glazen en vazen te zien die exacte kopieen lijken van virtuoos geblazen stukken uit de zestiende tot en met twintigste eeuw. McElheney doet er alles aan zijn anachronismen zo te presenteren, (op oude tafeltjes en met museale tekstbordjes) dat je werkelijk gaat twijfelen over de authenticiteit en ouderdom van zijn werk. Dat McElheny in zijn eentje in staat is een volledig glasmuseum bij elkaar te blazen, pleit voor zijn vaardigheid, maar het maakt ook duidelijk dat 'modern klassiek' en 'jong' steeds moeilijker uit elkaar te houden zijn.