Loslopende hond

“Dat zie je niet veel meer tegenwoordig, zo'n loslopende hond', zegt hij wijzend. Klaas heet-ie. Dun grijs haar. Barsten in z'n gezicht. Tussen z'n lippen bungelt een shaggie. Hij begint zomaar te praten.

“Marktkoopman ben ik meestal geweest. Overal. Ik verkocht illusies. Ik kon goed praten. Een consumentenbond had je toen nog niet. Dan was het een stuk moeilijker geweest. Ik verkocht van alles. Ik kocht een bus Vim en loonzakjes. In elk zakje deed ik een beetje Vim. Dan ging ik met een fiets naar de markt. Met dat poeder uit zo'n zakje maakte ik een stukje velg schoon. Het schuurt dus het werkt altijd. Dat verkocht ik dan. Dat noemde ik 'speciaal velgenpoeder'.

“Later kwamen die nylonkousen. Daar kwamen nogal snel ladders in. Ik ging dezelfde zakjes verkopen, maar nu gevuld met soda. 'Speciaal wasmiddel tegen ladders in nylons' noemde ik dat. Ik liet ook zien hoe het werkte. Ik waste die kousen in het speciale wasmiddel en dan stak ik er een naald door. Of, heel voorzichtig prikkeldraad. Kijkt u maar: geen ladders!, riep ik dan. Als de punten maar scherp genoeg zijn, komen er namelijk geen ladders in. Als warme broodjes. En het gekke was dat er later altijd mensen langskwamen die zeiden dat het zo goed werkte. Daar snapte ik niks van.

“Op jaarmarkten op het platteland verkocht ik ook altijd veel van dit soort 'speciale middelen'. Die boerenjongens en boerenmeiden hadden dan behoorlijk wat geld op zak. Ik ving daar wat van. Maar het meeste ging toch op aan brandewijn met suiker. Dus die meiden lazarus; die jongens lazarus. Het leek net een schilderij van Breughel. Ze hingen allemaal op mekaar. Na negen maanden zag je vanzelf het resultaat.

“Volgend jaar word ik 85. Ik heb altijd netjes geleefd hoor. Volgens de wet van Luther: niet meer dan drie keer in de week en geen variaties. Toch heb ik veel plezier gehad. M'n leven is nu bijna op. Al de mensen die ik gekend heb zijn dood. Dikke Willem, Japie, Hannes. Maar dat gezeik over die eenzaamheid, dat mot ik niet. Ik heb nu alweer een tijdje kennis aan een vrouwtje. Woont in Lelystad. Maar ik krijg het er zo godsgruwelijk benauwd van. Dan moet ik eruit. Loslopen. Net als die hond.'

    • Willem Oosterbeek