Kristallnacht; Die Tageszeitung

Naast het Holocaust-gedenkteken is de afgelopen weken een tweede centrum voor de herinneringsdiscussie opgericht, dat daarmee nauw samenhangt: de schrijver Martin Walser. Zijn kritiek op de ritualisering van het herdenken en op de 'instrumentalisering' van Auschwitz voor 'huidige doeleinden', die hij heeft geuit ter gelegenheid van de verlening van de Vredesprijs, bood net zoals in de discussie over het gedenkteken alleen ruimte voor heftige verdediging of grondige afwijzing.

Ignatz Bubis [de voorzitter van de joodse gemeenschap in Duitsland red.] beschouwde het als een soort 'geestelijke brandstichting' en beloofde om in zijn rede voor de negende november met Walser in discussie te gaan. Tijdens de herdenking van de Rijkspogromnacht herhaalde Bubis zijn kritiek: Walser heeft door het 'wegkijken' [van de Duitsers tijdens de jodenvervolging, red.] te willen goedpraten, de betekenis van dat woord willen ontkennen. Hij heeft over de Duitse schaamte gesproken, maar niet over de slachtoffers.

Walser is door die redevoering zitierfahig geworden in extreem-rechtse kringen. In zijn verlangen naar normaliteit verloochent hij de herinnering.

Met zijn kritiek op Walser heeft Bubis officieel gemaakt, wat anders als een spontane uiting van ontevredenheid had kunnen worden afgeschreven. Het was te verwachten dat hij de tijd niet zou benutten om dit misverstand uit de wereld te ruimen. Dat valt te betreuren.

De discrepantie tussen de beide opvattingen is namelijk lang niet zo groot als het lijkt. Walser heeft geen naief pleidooi gehouden voor het loochenen en wegkijken van het 'Heil!' in een wereld waar zogenaamd alles in orde was. Maar hij heeft wel gepleit voor een radicalisering van het schuldgevoel ten opzichte van het eigen geweten. Dat hij met deze internalisering van de schuld en haar overheveling naar het persoonlijke vlak iedere politieke discussie over het verleden in twijfel trekt, kan en moet echter bekritiseerd worden.

Het blijven hameren van Bubis op de noodzaak van het herinneren is daarbij niet voldoende. Zijn waarschuwing, dat een herhaling van de geschiedenis dreigt als de herinnering vervaagt, is niet meer dan een bedenkelijke formulering.

De thematiek van Walser is juist de taakomschrijving van het verleden. Als Walser twijfelt aan de herinnering als een haatdragende biografische constructie met een stringente interne samenhang, dan levert hij daarmee een subtiel commentaar op een zin uit de Talmoed, die Bubis zo pathetisch heeft aangevoerd, zonder de betekenis van die zin geheel te begrijpen: “Het geheim van de verlossing is de herinnering.'