Jazzpianiste Geri Allen heeft benen als metronomen

Concert : Geri Allen Trio.

Dat het adagium 'less is more' uit de architectuur soms ook geldt voor jazz bewees het concert van pianiste Geri Allen zondagavond in het Amsterdamse BIMhuis. Allen, die voor de opnames van haar onlangs uitgebrachte cd 'The Gathering' maar liefst acht muzikanten om zich heen verzamelde, werd in Amsterdam slechts bijgestaan door een drummer en een bassist. Daar waar sommige nummers op de cd een topzware indruk maken door een overdaad aan instrumentatie, blinkt het Geri Allen Trio live uit door helderheid en kracht.

Het volle, inventieve spel van bassist Ralph Armstrong en de stuwende ritmes van drummer Ralph Penland vormen een gevarieerde ondergrond voor Allens afwisselend hoekige akkoorden en sprankelende soli. De opstelling van de drie instrumenten naast elkaar onderstreept de gelijkwaardige inbreng van de afzonderlijke muzikanten, die elkaar binnen het repertoire van op blues, hard bop en bebop geente composities aanvullen, opjagen en ondersteunen.

Meteen vanaf de eerste noot van 'The Gathering', het openingsnummer van de nieuwe cd, creeert het trio een voelbare spanning die gedurende het hele concert wordt vastgehouden. In de nummers van de eerste set ligt het accent op een opeenvolging van tempowisselingen waarbij vooral bas en piano beurtelings soleren. Terwijl haar benen als vleesgeworden metronomen heen en weer zwaaien en haar licht opgetrokken schouders en naar binnen gezogen onderlip een niet aflatende concentratie verraden, schieten Allens handen met fenomenale snelheid over de toetsen van de Steinway zonder ook maar een register over te slaan. Armstrong is er op rustpunten als de kippen bij om het estafettestokje over te nemen.

Na de pauze demonstreert Allen dat haar reputatie als gevierd pianiste niet alleen gestoeld is op haar muzikale vuurwerk binnen het hardbop-idioom, maar dat haar uitgesproken spel in ieder tempo en op elke geluidsterkte dwingend aanwezig is. In de ballad 'Gabriel's royal blue reals' zweven de met schijnbaar groot gemak aan elkaar geregen noten op betoverende wijze boven de sobere ritmesectie, zonder ooit in een impressionistische klankenbrij vast te lopen. Allens ingetogen onderkoelde klanken blijven zelfs bij een zeer laag volume overeind.

Het opzwepende laatste nummer grijpt terug naar de sfeer van de eerste set en smeedt het optreden tot een degelijk geheel. Bij wijze van uitsmijter krijgt Penland ruim baan voor een op topsnelheid uitgevoerde solo. Het optreden eindigt hierdoor met een explosieve coda die de zorgvuldig instandgehouden spanning tussen de drie muzikanten tot ontlading brengt.