Herzbergs Golem schuurt de oren

Voorstelling : Een Golem door Theater van het Oosten. Regie : Leonard Frank.

Als een joodse Frankenstein bouwt de Rebbe een monster van klei en adem: een Golem. In joodse legendes lopen veel van dit soort Golems rond. Somswordt het monster met zijn bovenmenselijke krachten ingezet tegen devijand, soms keert hij zich juist tegen de gemeenschap. Met zijn bijl zaaithij dood en verderf, of hij knipoogt verliefd naar de dochter van zijnschepper. Schrijfster Judith Herzberg verwerkte, samen met componist Jeff Hamburg, verschillende van deze legendes in Een Golem. Zij putten vooral uit het jiddische toneelstuk Der Goilem van Leivick (1921). Het nieuwemuziektheaterstuk wordt opgevoerd door het Theater van het Oosten.

In de versie van Herzberg leeft een bakkersfamilie in tijden vanvervolging en onderdrukking. Er staat een pogrom voor de deur en de bakkerweet niet hoe hij zijn familie moet beschermen. Moet hij vluchten ofblijven? Hij vlucht in dagdromen waarin hij als machtige Rebbe (rabbijn)een Golem schept die de antisemieten te lijf gaat.

De acteurs spelen stuk voor stuk uitstekend. Regisseur Leonard Frank geeftze veel ruimte om te schitteren: Rudolf Lucieer als angstige besluitelozebaas; Sacha Bulthuis als de door het leven gemangelde moeder; Nanette Edensals gergerd, hoekig pubermeisje; en Hugo Maerten als de boosaardigejodenhater. Zijn monoloog is een fraai staaltje van antisemitische retoriekdat niet onderdoet voor het zwartste werk van Celine.

Wannie de Wijn mag de show stelen als de Golem de dommekracht die metzijn enorme lijf en zijn kleine mutsje tegelijkertijd schattig engevaarlijk is. De mooiste scenes zijn die waarin hij zich met zijn schepperde Rebbe (Rudolf Lucieer) meet. Vooral de geboorte-scene is aandoenlijk: deRebbe is bang en bazig tegelijk. De Golem knippert met zijn ogen tegen heteerste levenslicht en tracht met lompe bewegingen zij baas te imiteren. Debaas-knechtverhouding staat meteen onder spanning als de Golem de Rebbe bijzijn hoofd grijpt en verbaasd roept: 'Wat ben jij klein!'

Zo zijn er veel mooie momenten, maar als voorstelling is Een Golem tochniet geslaagd. Het stuk is niet helder genoeg. De dichterlijke taal is mooi,maar vaak moeilijk te volgen: “Dat troost op het scherpst van de sabelveroverd wordt en dat zelfs in de zwartste vlam een licht ons lonkt.' Datdroom en werkelijkheid op het toneel door elkaar lopen en dat de acteursvele dubbelrollen spelen zonder even van jasje te wisselen, komt deduidelijkheid niet ten goede.

Een programmaboekje op schoot is onontbeerlijk.

De muziek is weerbarstig: de op volksmuziek geente compositieszijn mooi, maar op den duur te vermoeiend. Vooral de ongeschooldezangstemmen van de acteurs schuren het gehoor. Moeizaam is tenslotte het trage tempo. De handeling wordt nodeloos opgehouden door de vele zijpaden en liedjes. Vooral het eindeloos durende klaaglied van een waanzinnige onheilsprofeet is een beproeving. Natuurlijk, het is muziektheater dus daar horen liedjes bij. Maar muziek, lastige teksten, en ook nog een ingewikkeld verteld verhaal: Herzberg, Hamburg en Frank willen gewoon teveel.