Wat in het hart leeft

Een van de mooiere beschrijvingen van wat voor de ogen ligt en wat in het hart leeft is die van Nescio over een wandeling van de bekende vrienden (Bavink en Bekker, Kees, Hoyer en 'ik') naar Schellingwou, met uitzicht over het Buiten-IJ.

Hij schrijft over een novembermiddag op de Zeeburgerdijk, en tegelijk schrijft hij over geluk, over samenvallen met de wereld. “Groot was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld naar binnen en leefde in onze hoofden. En onze gedachten gingen woordeloos uit over de wereld, ver over de gezichtseinder gingen zij. En zoo vloeiden de wereld en wij beurtelings in elkaar over. Bekker zei datti z'n hart voelde uitzetten en toen ik m'n oogen dicht deed, was 't of m'n hoofd vol goud en licht en blauw water was en wonderlijke rillingen gingen door m'n ruggemerg. Ik voelde daar de wereld, die om mij lag.' Nescio schreef dat in 1914.

Het verwijt aan de tijd dat alles steeds sneller moet, steeds haastiger, dat er geen aandacht meer is, dat men niet meer tevreden is met weinig, dat de mensen zo veel prikkels nodig hebben en van nieuwigheid naar nieuwigheid razen en dat het echte daardoor op de achtergrond raakt en zijn waarde verliest - wanneer is dat eigenlijk begonnen? Want nieuw is het niet. Je zou denken dat dit type bezwaren zo'n beetje met de industriele revolutie opgekomen moet zijn. Daarvoor had men ook wel van alles aan te merken op de eigen tijd, de mens heeft nu eenmaal, en gelukkig maar, behalve een progressieve ook een conservatieve kant. Maar Da Costa's Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) richtten zich toch voornamelijk op de zijns inziens toenemende goddeloosheid waardoor Jan-met-de-pet maar allerlei rechten kreeg in plaats van dat men hem aanspoorde tevreden te zijn met zijn door God gegeven lage geboorte. De razende snelheid die de mens oppervlakkig maakt, hoort als denkbeeld niet zozeer bij de trekschuit maar bij de trein en de auto.

In het laatste nummer van het onvolprezen tijdschrift Nexus citeert Rob Riemen zo'n anderhalve bladzijde lang allerlei uitspraken van Paul Valery uit de jaren twintig en dertig. Het zijn hedendaagse bezwaren tegen de geest der eeuw, en ze zouden net zo makkelijk gisteren geschreven kunnen zijn. Ze klinken onthutsend bekend en waar: “We zijn verslaafd geraakt aan gebeurtenissen. Als er op een dag niets is gebeurd, dan voelen we ons leeg. 'Er staat niets in de krant' stellen we teleurgesteld vast. We zijn vergiftigd door de idee dat er iets moet gebeuren, we zijn geobsedeerd door snelheid en kwantiteit. Een schip kan niet groot genoeg zijn, een auto of vliegtuig niet snel genoeg.

De idee van de absolute prioriteit van de grote getallen - een idee waarvan de naiveteit en de platheid zo evident zijn (naar ik hoop) - is een van de karakteristieken van de moderne menselijke soort.'

Valery hekelt hoe we ons 'laten leven', hoe werk, mode, telefoons onze dagen bepalen in plaats van wijzelf, en je hoort de onthaastingspleidooien erdoorheen klinken en je ziet de mensen over straat rennen met zaktelefoontjes in hun hand waarin ze roepen : “Ik ben hier! Ik kom eraan!' Alles moet nu, niets wordt meer gemaakt voor de lange duur, schrijft Valery. “Adieu, kathedraal, waar drie eeuwen lang aan is gewerkt; adieu, meesterwerk dat een leven lang aan ervaring en aandacht vraagt om geperfectioneerd te worden.'

Men leest en men knikt: zo is het, zo zijn we. Maar wie zijn die 'we' eigenlijk? Niet Valery, want hij schrijft wel 'we' maar uit alles blijkt dat hij zichzelf hier niet toe voelt behoren. En wie vol instemming zit te knikken denkt eigenlijk ook: “Ik ben zo niet.' Al valt dat ook niet helemaal vol te houden, want niemand onttrekt zich totaal aan de geestesgesteldheid van zijn eigen tijd. Het is heel eenvoudig om van anderen te vinden dat ze erg grove prikkels nodig hebben, dat ze zich blijkbaar zo ontzaglijk vervelen dat ze moeten gaan bungeejumpen, extacy slikken, helikopterskieen, elektronisch babbelen op Internet. Het is ook heel makkelijk om zichzelf een stuk verfijnder te achten omdat men op de bank zit en naar Bach luistert. Maar terwijl ik naar Bach 'luister' lees ik een boek, de haastig doorgespitte krant ligt op de grond, na Bach moet er meteen een andere cd komen met andere hemelse muziek - van enigerlei rustige aandacht is eigenlijk in het geheel geen sprake.

En waar Valery schrijft: “We hebben onze vrije tijd ingeleverd. Hiermee bedoel ik niet de chronologische tijd (onze vrije dagen) maar de innerlijke rust het vrij zijn van alles, de geestelijke afstand van de wereld die we nodig hebben om de meest delicate elementen in ons leven ruimte te bieden', daar was het wel echt gedaan met het zelfgenoegzame knikken.

Er zijn weinig aantrekkelijker woordcombinaties dan 'innerlijke rust'. Wie wil die niet. En er is weinig moeilijker dan niet almaar onder alles door toch te lopen denken aan welke telefoontjes nog moeten, wanneer die brief zal komen, wat iemand gisteren zei, aan een mislukt gesprek, aan de girorekening, welke jurk we aan zullen trekken, wat in huis halen etc. Al die dingen die erg weinig te maken hebben met 'de meest delicate elementen in ons leven'. Soms raast die onderstroom zo hard dat je niet eens meer zou weten te verzinnen wat dat dan voor elementen zijn die delicate. Het hele woord kan iets belachelijks krijgen. Terwijl het au fond precies is waar het om gaat.

Die eeuw van ons toch. Heeft alle innerlijke rust weggesnoept.

Aan de andere kant, 'we' zijn wel haastig en oppervlakkig maar ook weer niet alleen maar. Als we eens gelijk Nescio, een groot eind gaan wandelen, hebben we ook al gauw ons hoofd 'vol goud en licht en blauw water' en gaan er 'wonderlijke rillingen' door het ruggenmerg. In plaats van Valery's 'we zijn vergiftigd' 'we laten ons leiden door snelheid' klinkt dan gewoon Gorter in het hoofd: “Ik liep het aan te zien/ bang en tevreden,/ mijn voeten als goede lien/ liepen beneden.'

Valery en al diegenen die na hem kwamen hebben geen ongelijk en het is niet alleen maar zelfgenoegzaamheid en conservatisme die ingeven om met hen in te stemmen.

Stilte, rust de afwezigheid van gebeurtenissen en geduld zijn niet vreselijk populair. We hebben nu bijvoorbeeld een staatssecretaris voor Cultuur die als de dood is dat hij met zijn subsidies oude koek in stand zal houden ('adieu meesterwerk dat een leven aan aandacht en ervaring vraagt') en die snakt naar het nu en het ogenblikkelijk, liefst in de vorm van een jong allochtoon kunstwerk. Hij denkt dat te bevorderen door degenen die jarenlang met hartstocht en aandacht de kunst gevolgd hebben, die de traditie en de vernieuwing kennen, als adviseurs aan de kant te zetten. De 'witte oude heren' uit de Raad voor Cultuur en uit de kunstfondsen moeten plaats maken voor jongelui, zo beweerde hij laatst in Trouw. Het is allemaal zo lachwekkend, hij is zo weinig op de hoogte van wat dan ook dat het beter zou zijn om er maar over te zwijgen, ware het niet dat vernielen heel makkelijk is, maar weer opbouwen tamelijk moeilijk.

Van der Ploeg is een modern snelheidsmaniakje, niets ontziend op weg naar een fijne carrieresprong. Dus opvallen maar, afbreken, slopen en schreeuwen en dan over vier jaar lekker minister worden van iets anders waar hij geen verstand van heeft. Want ergens verstand van hebben, weten wat er speelt, dat is ook al zoiets van vroeger. Daar moeten we af. Minachtend zei hij in hetzelfde interview dat zijn voorganger Nuis de gewoonte had om te willen weten wat er in 'het veld' leefde. Haha. Die Nuis! Ploeg breekt het veld gewoon af. En dan komt er een nieuw veld! Zo doen we dat.

Ach Valery. “De maatschappij heeft door de eisen die de technologische ontwikkelingen haar stellen, steeds meer behoefte aan 'professionals', vervangbare intellectuelen. Een Shakespeare, Bach Descartes, de dichters en denkers, de onvervangbare intellectuelen, zij hebben geen nut meer.' Valery bedoelde dat niet positief. Van der Ploeg leest het ongetwijfeld met hartelijke instemming.