Spanning in nieuwe Ayckbourn te laat

Voorstelling: Ja ja, de liefde (Things we do for love) van Alan Ayckbourn. Spelers: Trudy Labij, Peter Faber, Aly Bruinsma en Jan van Eijndthoven. Vertaling: Renee Smulders. Regie: Berend Boudewijn. Gezien: 7/11 in de Schouwburg, Leiden. Tournee t/m 13/3. Inl. (020) 6750966.

In zijn nieuwe stuk was Alan Ayckbourn weer helemaal de oude schreven de Engelse kranten dit voorjaar toen Things we do for love in premiere ging. Het was zijn 52ste, en de schrijver die als geen ander zijn middleclass-publiek een lachspiegel voorhoudt, zodat het kietelt en tegelijk een beetje schrijnt, had weer een mooi midden gevonden tussen de klucht en de zedenkomedie. Zijn hoofdpersoon was een emotioneel geblokkeerde vrouw die denkt alles onder controle te hebben, tot ze de bovenverdieping van haar huis verhuurt aan een ex-schoolvriendin plus vriend. En door die vriend komt het beest in haar los.

Het spreekt echter lang niet vanzelf dat een nieuw Ayckbourn-succes ook in een Nederlandse versie raak is. Soms wel, vooral zijn oudere stukken die minder gecompliceerd zijn. Maar vaak ook niet, bijvoorbeeld omdat er in Engeland zwaarder aan wordt getild als iemand in verlegenheid wordt gebracht dan hier, of omdat de standsverschillen daar meer betekenen. Of gewoon, omdat de Nederlandse acteurs verzuimen hun personages de laag van levensechtheid te geven die hen in Londen ondanks alles geloofwaardig maakt. Als hij alleen maar als een lolletje wordt gespeeld, lijkt het alsof Ayckbourn niet veel meer te bieden heeft dan een ouderwetsig soort blijspeltoneel, en dan blijft er van de essentiele nette-mensen-conversatie over onbenulligheden slechts een trekkerige omhaal van woorden over.

Onder de vervelende titel Ja ja, de liefde is zijn nieuwste nu te zien in een soepele Nederlandse vertaling. De enscenering is goeddeels voorgeschreven: we zien een regulier appartement, daarboven alleen de onderste helft van de bovenverdieping en daaronder alleen de bovenste helft van het souterrain.

Die indeling leidt tot visuele grappen, die af en toe sterk contrasteren met de gelijkvloerse handelingen. In het hoofd-appartement resideert Trudy Labij, met haar talent om aan de gewoonste woorden een komisch trekje te geven. Boven haar hoofd stoeien Aly Bruinsma en Peter Faber als het inwonende stel en in het souterrain huist Jan van Eijndthoven als een working class-weduwnaar met geheime dag- en nachtdromen over zijn huisbazin.

Voor de pauze schetst Ayckbourn de situatie in veel woorden, die hij nodig heeft om de karakters vlees en bloed te geven. Dat maakt straks de chaos des te grappiger. In deze versie maken de acteurs daar echter nauwelijks gebruik van. Trudy Labij treft nog wel eens de juiste toon, maar Peter Faber is een verdwaalde schim van zichzelf wiens passie volstrekt uit de lucht komt vallen - hij houdt zich in ieder opzicht van de domme. Hun medespelers maken van hun babbeltekst niet meer dan dat. Geen moment heb ik in hen kunnen geloven. En de spanning die regisseur Berend Boudewijn na de pauze toch nog even weet te creeren over de vraag of het onvermijdelijke overspel moet worden opgebiecht of niet, komt te laat om alsnog de vereiste herkenbaarheid op te roepen.

Om mij heen werd zaterdagavond wel gelachen om de malligheden. Misschien is dat dus wel genoeg om ook hier van een succes te spreken. Maar mij leek dat de nieuwste Ayckbourn niet zonder schade naar Nederland is overgeplaatst.