Naar Friesland

Het is januari 1945. Wij, vader, moeder en drie kinderen verblijven geevacueerd uit Den Haag, in het grote huis van mijn vaders ouders in Zaltbommel. We hebben het hier redelijk naar ons zin. Hoewel er regelmatig Duitse soldaten ingekwartierd worden, legt niemand ons een strobreed in de weg. Wel doet zo nu en dan het bericht de ronde dat de Duitsers het hele huis in beslag willen nemen. Mijn oom heeft dat tot dan toe weten te voorkomen.

Tot er op een dag een bevel van de NSB-burgemeester komt dat alle niet uit Zaltbommel afkomstige personen zo snel mogelijk naar Friesland toe moeten. Deze mensen worden reeds de volgende ochtend om zes uur op de Markt verwacht! Men moet dan gaan lopen naar Geldermalsen om verder per goederentrein naar Friesland te worden vervoerd. Mama begint paniekerig de evacuatiekoffers te pakken.

Talloze inwoners van dorpen langs de Maas hebben reeds hetzelfde lot ondergaan. Ook mijn oom en tante uit het dorp Hurwenen werden, met hun gezin, per paard en wagen in een vliegende sneeuwstorm uit hun woonplaats geevacueerd. Het paard 'stond niet op scherp', gleed steeds uit over de sneeuw en werd ten slotte achter de wagen gespannen.

Een zuster van mijn grootmoeder een schilderes en haar vriendin, een lief omaatje van 80 plus, beiden geevacueerd uit het Statenkwartier in Den Haag, zullen ook moeten vertrekken. Maar hoe kunnen die twee vrouwen, beiden toch al niet erg goed ter been, die hele wandeling naar Geldermalsen ondernemen? Er heerst een opgewonden, huilerige stemming in het huis. In de keuken wordt van alles voor het tweetal klaargemaakt en zelfs een versgebakken bruinbrood, zonder suikerbietenpulp, komt uit de oven te voorschijn. Wij krijgen een grote zak met gekookte bruine bonen, voor 'onderweg', in onze handen gedrukt. Als vader echter aan het eind van de dag terugkomt van zijn werk roept hij: “Daar komt niets van in.' Hij rept zich naar de Ortscommandantur en krijgt van de Ortscommandant gedaan dat hij, wegens zijn werk voor de melkvoorziening, 24 uur uitstel krijgt.

De twee oude dametjes krijgen dat niet. “Maar', zegt vader, “tante, ik raad u aan gewoon niet te gaan, Het is zo'n wanorde op het ogenblik bij de moffen.

Ze merken het heus niet als u morgenochtend niet om zes uur op het marktplein verschijnt.'

Het tweetal twijfelt, wikt en weegt en besluit dan met angst in het hart, het er op te wagen en te blijven zitten waar ze zitten.

Er gebeurt niets. Ook wij gaan niet weg en hebben nooit meer iets van een uitwijzingsbevel of wat ook gekregen.

Half april '45 horen we dat de Engelsen de Maas over zijn gestoken en dat er die nacht gevochten zal worden. “Haal jullie je beddengoed en matrassen maar weer naar beneden!' raadt mijn oom ons aan. “Morgen zijn we bevrijd! De hele stad is er vol van! Maar je hebt wel kans dat de St. Maartenstoren opgeblazen zal worden.' Onze nieuwingezette ruiten worden uit de vensters gehaald, matrassen en planken voor ramen gezet. De buren komen in oma's kelders overnachten. Met veel gescharrel van omvallende kaarsen struikelpartijen over koffers en gerommel met dekens installeren we ons op de vloer van grootvaders kantoortje aan de straatkant. De poes Roetje mag er ook bij. Maar we kunnen moeilijk inslapen. Luisterend naar het oorlogsrumoer in de verte piekeren we over het lot van de toren. De volgende morgen worden we laat wakker.

“Zouden we nou bevrijd zijn?' vraagt mama, “het is zo stil op straat.' Ze gaat bij de put in de tuin water scheppen en komt na een tijdje met een sip gezicht terug. “De aanval schijnt door de Duitsers afgeslagen te zijn.' Licht ontgoocheld zitten we even later in de keuken ons gebruikelijke ontbijt groentesoep, te lepelen.

Een paar dagen later is er een massagraf in het Plantsoen. Mama wil niet dat wij gaan kijken, maar mijn broertje en ik doen het toch. Er liggen 72 Duitsers begraven, de meesten niet ouder dan 17 of 18 jaar. Hier en daar staat een houten kruis met een helm erop.