Het manco van W.F. Hermans

De Revisor nr. 4 Uitg. Querido

Een schrijver is pas dood als hij niet meer wordt gelezen - maar als er niet meer over hem wordt geschreven staat hij al met een been in het graf. Dat zie je aan een schrijver als Vestdijk, maar ook met W.F. Hermans begon het somber gesteld te raken. Sinds zijn dood in 1995 werd er weliswaar nog heel wat over hem gepubliceerd, maar bijna altijd gingen die artikelen over niet meer dan biografische trivia - vooral het Hermans magazine en de WFH Verzamelkrant zijn daar goed in. Nimmer dook er echter iemand op die bereid was zich serieus in het oeuvre van Hermans te verdiepen en zich af te vragen hoe belangrijk de boeken na Hermans' dood nog waren - het leek wel of de allesvernietigende polemieken die de schrijver bij zijn leven had geschreven veel mensen ook na zijn dood nog de rillingen bezorgden.

Alleen al om die reden was het dus een lofwaardige onderneming van Oek de Jong om in zijn Kellendonk-lezing van februari van dit jaar het oeuvre van Hermans onder de loep te nemen. En dat was niet alles: De Jong besloot zijn oud-collega meteen maar stevig aan te pakken. Hij begint zijn stuk, 'Zijn muze was een harpij', nog rustig en prijzend, maar al snel daarna legt hij, aan de hand van Hermans' traumatische jeugd de filosofische basis onder het oeuvre onder het fileermes. De Jong omschrijft Hermans' wereldbeeld als 'gedateerd, dogmatisch en eenzijdig' stelt dat 'het grootste manco van Hermans' mensbeeld het volledig, maar dan ook volledig ontbreken van wijsheid of zelfs het streven daarnaar' is en concludeert: 'Dit wereldbeeld is een verweer, het dient om greep te krijgen op de wereld, en het is een bezwering.' Het overtuigende aan De Jongs tirade is daarbij dat hij zich niet laat verleiden tot polemische eenzijdigheid. Ondanks al zijn bezwaren tegen de auteur geeft De Jong van harte toe dat hij heeft genoten van De tranen der acacia's en ook 'Manuscript in een kliniek gevonden', 'Paranoia' en 'Het behouden huis' noemt hij 'schitterend, aangrijpend en terecht klassiek'. Maar van Hermans' wereldbeeld moet De Jong niet veel hebben.

In hetzelfde nummer van De Revisor waarin het stuk van Oek de Jong stond afgedrukt verschenen meteen drie reacties: een vage van dichter Jan Kuijper, een pissige van filosoof Heleen Pott en een rustige van neerlandicus Wilbert Smulders. Het opvallende aan die stukken (hoewel Smulders dat slim wist te verhullen) was dat ze Hermans ten koste van alles leken te willen verdedigen, alsof iedere kritiek de status van de heilige Hermans aan diggelen zou blazen.

Wellicht betrokken zij hun posities omwille van de polemiek, maar het leek er vooral op dat het drietal er moeite mee had dat er aan het beeld van Hermans werd getornd - wat weer verrassend goed aansloot bij de eenzijdigheid en de oogkleppen die De Jong de schrijver in zijn eerste stuk zelf verweet.

In het laatste nummer van De Revisor (nadat Oek de Jong in het vorige nummer heeft gereageerd op het voornoemde drietal en heeft meegedeeld op zijn standpunt te blijven staan) werpt ook criticus Arnold Heumakers zich in de discussie en zijn bijdrage is meteen de interessantste reactie op De Jong tot nu toe. Terecht verwijt Heumakers De Jong dat die zijn kritiek wel erg zwaar laat leunen op een Freudiaanse duiding van de jeugd van Hermans; bovendien verwijt hij De Jong dat hij te weinig oog heeft voor de literaire manier waarop Hermans zijn filosofie verwerkt - een verwijt dat bij de schrijver Oek de Jong toch stevig aan moet komen. En passant geeft Heumakers ook nog een plausibele verklaring voor de ontwikkeling van Hermans' schrijverschap, waarvan de hoogtepunten bijna allemaal in de jaren vijftig en zestig lagen: in die tijd had Hermans, wiens werk bijna bestond bij de gratie van de polemiek, nog iets om zich tegen af te zetten. In de jaren zeventig en tachtig, toen het christendom zijn invloed verloor was Hermans zijn voornaamste vijand kwijt.

Maar hoe puntig Heumakers' bijdrage ook is, het lijkt of niemand die het tegen De Jong opneemt eraan ontkomt om de 'hele Hermans' te willen verdedigen. Want dat doet ook Heumakers: zo eindigt hij zijn stuk met de opmerking dat Hermans in al zijn verhalen en romans, 'altijd de spanning erin wist te houden' - dus ook in zijn latere werken.

En daarmee plaatst ook Heumakers zichzelf in het exegetenbankje; je moet ten slotte wel erg van Hermans houden wil je volhouden dat de meeste verhalen uit De laatste roker of de novelle Ruisend gruis ook maar kunnen tippen aan De tranen der acacia's, De donkere kamer van Damocles of Nooit meer slapen. Het wachten is dus nu op iemand die

Heumakers terecht wil wijzen - en daarmee de discussie over het werk van Hermans springlevend houdt.