Goddelijke helden met alerte knieen uit Bali

Gezelschapppen : Gong Gunung Sar en Joged Jenggala Sedah. Bali

De gastprogrammering van het Muziektheater in Amsterdam heeft voor twee dagen twee bijzondere muziek-en dansgezelschappen van het eiland Bali in huis. Ze komen uit de paleizen van de voormalige vorstendommen Peliatan en Abianbase en staan onder leiding van de prinsen Anak Agung Gde Bagus Mandera Erawan en Anak Agung Gde Raka Payadnya. Beide vorstentelgen vervullen een actieve rol in de voorstelling die door de gezelschappen wordt verzorgd.

Mannen nemen daarin het leeuwendeel voor hun rekening: 26 gamelan spelers en zeven dansers uit Peliatan en veertien musici uit Abianbase. Slechts drie vrouwen doen aan de voorstelling mee twee danseressen uit Peliatan en een uit Abianbase, maar hun aandeel is zeer bepalend. Het programma bestaat uit traditionele en herontdekte muziek- en dansdelen, die zonder commercieel gerichte theatrale opsmuk worden gebracht. Dankzij de integere en uiterst kundige vertolking roepen ze de sfeer op van de belevingswereld waaruit ze zijn ontstaan: een wereld van devotie, mysterie, spiritualiteit en heldendom.

De klanken die de musici aan gongs, metallofonen en bamboeinstumenten weten te ontlokken zijn sterk en indringend, en tegelijkertijd zeer subtiel en genuanceerd. Er kan een overweldigende klankorkaan ontstaan, maar met evenveel overtuiging en duidelijkheid wordt er gelispeld en gefluisterd. Ook in de dansen is er een combinatie van aardse, dikwijls demonische vurigheid en verfijnde elegantie van fragiel porselein. De voeten staan stevig op de grond, vaak met fier opgeheven grote teen, de beweging in de knieen heeft een dierlijke alertheid, het ingesnoerde bovenlichaam blijft kaarsrecht. De hals, de schouders, het hoofd, de armen, de handen en de zeer buigzame vingers daarentegen, sidderen, trillen, draaien en fladderen als rusteloze vlinders.

De ogen volgen een eigen choreografie, ze schieten van links naar rechts, lonken, of staan kwaadaardig opengesperd. Ondanks de kracht en gedecideerdheid in de bewegingen is er altijd, vooral bij de vrouwen, een breekbare lichtheid. Al wordt er in deze dansen bijna altijd een verhaal verteld en zijn de gezichten zeer expressief, toch houden zij een gestileerde abstractie die ze tijdloos maakt. De kleurige kostumering, waarin kilo's gouddraad moet zijn verwerkt, biedt ook een weelde aan verfijnde details die nog eens extra benadrukt dat het hier gaat om goddelijke, koninklijke en machtige personages.

Heel speciaal vond ik het slotnummer Cak, een werk waarin alle mannen van beide ensembles gezamelijk een gezongen ritueel uitvoeren, in kleermakerszit gezeten rond een statief met brandende fakkels - praktisch de enige belichting. Aangevoerd door de kreten van de leiders zwellen de stemmen tot harmonische frases of barsten juist uit in staccato-achtige klanken waarbij de ontblote bovenlichamen zij- en voorwaarts buigen, de armen geheven worden, de vingers trillen en de schouders schokken.

Zo nu en dan wordt de bezwerende ceremonie nog eens extra opgezweept door dat een of meer leiders zich dansend door de kring verplaatsen. Ritmisch is het uitermate gecompliceerd en de timing en synchroniteit in het ensemble is zonder meer indrukwekkend van precisie. Het kost weinig moeite om te geloven dat hier waarlijk bovennatuurlijke krachten worden opgeroepen.