Wolven, monniksgieren, ezels en eco-toeristen; BRANDGEVAAR DREIGT IN HET THRACISCHE NATUURRESERVAAT DADIA

Aan de grens van Turkije en Griekenland, in Thracie, ligt het enorme natuurreservaat Dadia, dat wordt onderhouden met hulp van de eu en het Wereld Natuur Fonds. In dit land van Orpheus zitten veel wolven en roofvogels. En steeds meer eco-toeristen.

EEN GURE bergwind giert om de uitkijkpost van de brandweer. 'Pas op een voor een!' zegt boswachter Kostas Pistolas als we het smalle, roestige laddertje bestijgen. Bovenin zit een verkleumde jongeman in een glazen hokje met een kale matras. Hij heeft een deken, een stapel tijdschriften en een mobilofoon. 'In de zomermaanden waken we dag en nacht tegen bosbrand', roept Pistolas boven het geraas van de wind uit. 'We hebben twee uitkijkposten en een mobiele brigade. Elk beginnend brandje moet onmiddellijk geblust, anders loopt het uit de hand.'

Deze zomer ging in Griekenland zo'n 150.000 hectare bos in vlammen op. Ook hier in het natuurreservaat van Dadia in het uiterste noordoosten van Griekenland is de angst voor bosbrand groot. Vijf maanden lang is er geen druppel regen gevallen, maar sinds vanochtend stort die bij bakken uit de hemel. Wegen veranderen in modderpoelen, de dorpsbrandweer viert feest. De Nederlandse journalisten op excursie met het Wereld Natuur Fonds kijken minder vrolijk. Ze hebben ook niet allemaal een jas.

Maar het uitzicht is adembenemend. Grauwgrijze beboste bergketens strekken zich uit tot aan de horizon. Geen huis, geen brug, geen spoorlijn te zien, alleen maar ruige, stille bergen. Zo'n 30 kilometer verderop glinstert de Evros grensrivier van Griekenland en Turkije. Dit is het landschap van de mythische dichter-zanger Orpheus en ook de verering van de wijngod Dionysos is in deze streek begonnen.

De brandweertoren is een goede plek om monniksgieren te zien, zo ongeveer de laatste van Europa. Binnen een paar minuten komt er eentje aangezweefd, donker en ontzagwekkend, een soort vliegende deur, spoedig gevolgd door een tweede, een derde en een vierde.

Ze buitelen door de lucht. 'Waarschijnlijk een gezinnetje met jongen. Ze zijn aan het spelen', zegt Kostas Pistolas.

De monniksgier heeft een vleugelspanwijdte van drie meter en als hij zit is hij een meter hoog. Ooit kwam deze roofvogelreus, die van aas leeft, in grote delen van Europa voor, maar voedselgebrek, vergiftiging en verstoring werden hem noodlottig. Nu leven er alleen nog monniksgieren in de Spaanse Extremadura, een handvol op Mallorca en hier in Dadia. De Griekse kolonie zat in 1979 op een dieptepunt met nog maar 26 vogels waaronder 4 of 5 broedparen. Dankzij beschermende maatregelen zijn er nu weer zo'n 100 monniksgieren, waarvan ruim 20 broedparen.

PLUNDERENDE BARBAREN

Dit landschap kent een lange, veelbewogen geschiedenis. De oudste rotstekeningen en megalieten in het park dateren van zo'n 1.000 jaar voor Christus. Later verschenen Atheense en Ionische kolonisten op de Thracische kust. Daarna kwamen de Macedoniers en vervolgens de Romeinen, plunderende barbaren zoals de Goten en de Hunnen, Slavische stammen en Bulgaren, Kruisvaarders en Ottomaanse Turken, een onafzienbare stoet van veroveraars. Pas in 1920, na de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog, werd westelijk Thracie weer Grieks grondgebied. Diep in de bergen leven nog herdersstammen, de Pomaks, die rechtstreeks van de oudste Thraciers afstammen. Zij zijn moslim en spreken een mengeling van Oud-Grieks en Bulgaars.

Na de Duitse bezetting van 1941-'44 de partizanenstrijd en de Griekse Burgeroorlog van 1946-'49 bleef het land berooid achter. Veel plattelandsbewoners trokken naar de stad. Geisoleerde bergdorpen raakten ontvolkt, met de herders verdwenen hun kuddes en daardoor groeit het landschap nu dicht met bos.

Een afwisselend, open landschap is vooral van belang voor de ongelooflijk rijke herpetofauna van Dadia met maar liefst 40 soorten schildpadden, hagedissen, slangen en amfibieen. Daar komen veel roofvogels op af. Zo eet de Steenarend alleen schildpadden, die hij van grote hoogte op de rotsen smijt om zichzelf er als een baksteen achteraan te storten, een verbijsterend gezicht.

Dadia heeft vrijwel het hele hoofdstuk Roofvogels & Uilen uit de vogelgids compleet. Van de 38 Europese roofvogelsoorten zijn er 36 present (alleen de grijze wouw en de giervalk ontbreken), waarvan 21 als broedvogel en de rest als doortrekker of wintergast. Ze nestelen in het onherbergzame gebergte en vinden volop voedsel op de open plekken in het bos, in het laagland en de rivierdelta van de Evros. Verder leven hier 37 soorten zoogdieren, van otters tot wolven. Voor het eerst in 30 jaar zijn weer jakhalzen gehoord.

Deze soortenrijkdom is te danken aan bijzondere geografische en klimatologische omstandigheden. Op dit kruispunt van Oost en West ontmoeten de Europese en de Aziatische fauna elkaar. Het natuurgebied ligt ook strategisch op de West-Palearctische vogeltrekroute van Siberie naar Afrika. Het klimaat staat onder invloed van de nabije zee, maar heeft ook duidelijke continentale trekken. Daardoor vind je hier vele planten en dieren die elders pas veel hoger in de bergen voorkomen.

Maar de tijden veranderen. Na de Turkse invasie van Cyprus in 1974 kwamen de Griekse autoriteiten in actie om de economie in het dunbevolkte maar strategische noordoosten op te peppen en de bevolkingsuittocht te stuiten. Met steun van de Wereldbank ging het Evros Development Programme van start. Rivieren werden afgedamd rivierbossen gekapt en nieuwe landbouwgronden ontgonnen.

Eeuwenoude eikenbossen gingen voor de bijl. Er kwamen monocultures van snelgroeiende Zwarte den voor de hout- en papierpulpproductie. De bossen van Dadia bleven op het nippertje gespaard, onder druk van natuurbeschermers. In 1980 werd Dadia het eerste Griekse natuurreservaat na de aanwijzing van enkele Nationale Parken in 1969.

Dadia omvat twee streng beschermde gesloten kernen van tezamen ruim 7.000 hectare, omringd door een bufferzone van zo'n 35.000 hectare met dorpjes. Houtkap is de voornaamste inkomstenbron. De stammen worden met paarden of muilezels uit het bos gehaald. Olijfgaarden en oorspronkelijk gemengd bos zijn ook hier vervangen door aanplant van Zwarte den. 's Winters wordt in de bufferzone volop gejaagd, keer op keer komen we ploegjes - soms met bloed besmeurde - jagers tegen. De akkerbouw stelt weinig meer voor en de veeteelt evenmin. We zien de hele dag welgeteld een herder met geiten en een stuk of tien honden. 'Zij bewaken de kudde 's nachts tegen wolven', vertelt Kostas Pistolas. 'Maar wolven zijn veel slimmer dan honden! Een herder kan hier hooguit 200 schapen houden. Anders verdwalen ze in de bergen en dan eten de wolven ze op.'

Met steun van het LIFE-fonds voor Europese natuurbeschermingsprojecten hebben onderzoekers van het Griekse Wereld Natuur Fonds (WNF) de biologische rijkdom van Dadia in kaart gebracht en een beheersplan voor het reservaat en zijn omgeving gemaakt. Zo wordt gewerkt aan meer open plekken in het bos, zoals 50 jaar geleden. Ook kwamen er veldjes zonnebloemen voor de olie en als voedselbron voor de vele zangvogels in het najaar. De veeteelt wordt gestimuleerd en de monotone dennenaanplant geleidelijk omgevormd tot soortenrijk, gemengd loofbos.

Aan al deze projecten werken vijf vaste WNF-medewerkers mee.

Pistolas: 'Dit reservaat werd oorspronkelijk gesticht om de roofvogelnesten te beschermen. Maar buiten de kernzones blijven zij kwetsbaar en het park is te klein om het hele spectrum van belangrijke landschappen veilig te stellen. Vandaar onze acties.'

Soortenrijkdom of niet, in deze onophoudelijke stortregens vertoont zich alleen een miezerige buizerd. 'In de Flevopolders zie je meer' gromt een collega. De gieren zijn gelukkig wel present. Op hun vaste voederplek, het 'Gierenrestaurant' van Dadia, is het altijd prijs. De lokale bevolking meldt kadavers van muilezels, geiten, koeien enzovoorts bij de parkbeheerders, die ze op een vaste plek neerleggen voor de gieren en voor de toeristen. Van het gierenrestaurant wordt druk gebruik gemaakt. Op winterdagen zitten hier soms meer dan honderd gieren broederlijk bijeen en daar staan evenveel toeristen naar te kijken. Ze worden in minibusjes vanaf hun eigen restaurant naar een speciale galerij gereden: het observatorium. Daar staat de telescoop, die 2000 maal vergroot, al op scherp. Er liggen verrekijkers klaar, gidsen geven tekst en uitleg.

Je kunt hier vier gierensoorten broederlijk samen zien eten. In de loop van de evolutie hebben ze elk hun eigen specialisatie ontwikkeld. De al eerder genoemde Monniksgier (Aegypius monachus) begint doorgaans als eerste. Hij hakt het karkas open met zijn kolossale snavel en eet de hardste stukken vlees. De Vale gier, (Gyps fulvis), reikt met zijn lange kale nek veel dieper in het kadaver en doet zich tegoed aan zachter vlees en ingewanden. De kleinere Aasgier (Neophron percnopterus) eet de laatste restjes op en tenslotte wordt het karwei afgemaakt door de Lammergier (Gypaetus barbatus), die de botten kraakt en verorbert.

Grote botten steken soms nog gedeeltelijk uit zijn formidabele snavel, terwijl het andere uiteinde al in de maag wordt verteerd. Helaas leeft van de Lammergier in heel Thracie nog maar een exemplaar zijn partner werd geschoten. Ook Kreta heeft nog lammergieren.

'Bij gebrek aan lammergieren ruimen wij nu zelf die botten op. Eens per jaar maken we de voederplek schoon en kieperen alle botten in het ravijn', vertelt Dora Skartsi. Zij werkt sinds 1993 als bosbouwster voor het Wereld Natuur Fonds in Dadia. 'Bijvoeren is geen overbodige luxe, want naarmate de 'bergboeren' verdwijnen, vinden de gieren seeds minder aas. Bovendien is de moderne veehouder wettelijk verplicht om veekadavers op te ruimen.'

STAKETSEL

Gebrek aan nestelgelegenheid speelt de gieren parten. De monniksgier verkiest een hoge, minstens vijftig jaar oude Zwarte den op een eenzame plek in het woud. Deze boomsoort heeft van nature een afgeplatte kruin, waarop het kolossale gierennest prima past. De vogels gebruiken het keer op keer en bouwen het uit tot een staketsel van twee meter hoog en drie meter breed. Zulke mooie oude nestbomen zijn in het Griekse laagland massaal gekapt. In de bergen staan ze nog wel maar daar verdwijnt juist de veehouderij als voedselbron. Begin jaren zeventig liepen er nog 25.000 geiten en schapen en 3000 koeien in de bufferzone rond het natuurreservaat van Dadia. Daarvan zijn nu nog maar 5000 geiten en schapen en zo'n 1000 koeien over. Nu waren de gieren hoewel cultuurvolgers, al langer op aarde dan de bergboeren. Maar door de intensieve jacht en stroperij in Dadia is ook de wildstand hier laag hazen, reeen en wilde zwijnen zijn schaars.

Dankzij de beschermende maatregelen neemt de Griekse gierenstand gestaag toe.

Zoals gezegd zijn er nu weer zo'n 100 monniksgieren. De vale gier echter, die op rotskliffen broedt, gaat om onnaspeurlijke redenen juist achteruit. In 1994 broedden er nog 11 paar, een jaar later nog maar 1. Wel blijven door de jaren heen zo'n 50 tot 60 vale gieren het gierenrestaurant bezoeken. Ook de aasgier wordt als broedvogel steeds minder gezien - 11 broedparen in 1994, nu nog maar 2 of 3. 'De vogels komen nog wel volop eten, maar niet meer broeden', zegt WNF-ornitholoog Kostas Poirazidis. 'Waarom weten we niet. Mogelijk broeden ze in de wijde omtrek, al hebben we nog geen nesten gevonden. Een zelfde trend van geleidelijke toename van de aantallen, gevolgd door een snelle ineenstorting van het broedvogelbestand zie je ook in het naburige Bulgarije.'

Beheerder Kostas Pistolas vermoedt dat de omvangrijke Bulgaarse houtkap steeds meer wolven naar Griekenland drijft. 'Je komt ze nu regelmatig tegen, laatst zag ik er 14 op een dag. Vorige week werden een paard en twee muilezels, die door houthakkers 's nachts aan de bomen waren vastgebonden, door een roedel wolven opgevreten.'

In droge zomers steken de dieren ook gemakkelijk vanuit Turkije de grensrivieren over. Mogelijk verbasteren ze met herdershonden. Wolven horen hier thuis, vindt Pistolas, ze maken het ecosysteem compleet. 'Herders en wolven hebben duizenden jaren samengeleefd. Probleem is wel dat de wolven steeds minder schuw worden omdat ze voortdurend vliegtuigen, auto's en menselijke stemmen in de verte horen. Daar raken ze aan gewend. Stel je voor dat ze zich straks aan een argeloze toerist vergrijpen.'

Ecotoeristen zijn onmisbaar. Zij brengen inkomsten en werkgelegenheid voor de lokale bevolking, waardoor meer draagvlak ontstaat voor natuurbescherming.

Dadia heeft nu een gastenverblijf met 30 bedden, een reeks vakantiehuisjes en een informatiecentrum. Tot 1994 kwamen enkele duizenden bezoekers per jaar nu al 30.000. Er zijn allerlei paaltjesroutes voor bezoekers uitgezet. Vrijwilligers ontsluiten de paden na de winter en onderhouden ze.

Het project is een karakteristiek voorbeeld van 'plattelandsvernieuwing' op z'n Grieks. Het dorpje Dadia, 800 zielen, zag als enige dorp in de omgeving zijn inwonertal niet dalen maar stijgen. Anders dan in het naburige, half verkrotte Lefkimi konden de supermarkt, het cafetaria en en het tankstation blijven draaien en er kwamen zelfs weer jonge mensen wonen.

Schoolkinderen in deze streek krijgen speciale lessen over het belang van natuurbehoud. Een 40 leden tellende agro-toeristische vrouwencoooperatie beheert een cafe-restaurant voor de toeristen en verkopen streekproducten, zoals zelfgemaakt flinterdun filo-deeg, trahanas (een soort Brinta), boshoning en bramenjam.

Bosbranden blijven het grootste gevaar. Om ze snel te blussen is hulp van de dorpelingen onmisbaar. Vroeger werden daarvoor de kerkklokken geluid, het is een eeuwenoud probleem. Bliksem is een belangrijke oorzaak. Vanouds brandden de dorpelingen ook zelf stukjes land af om er vee te laten grazen. Ze wisten uit ervaring exact hoe het vuur zich zou verspreiden, waar het fel zou branden en waar het door een weg, een beekje of rotswand zou worden gestuit. Soms werd met opzet een kleiner vuur gestookt in de verwachte route van het vuur om de beschikbare biomassa alvast op te branden. Daarna doofde de bosbrand vanzelf uit. 'Passie met passie bestrijden, noemen wij Grieken dat', zegt Kostas Pistolas. Tegenwoordig zijn illegale immigranten, die zich in de bossen verschuilen en daar nederzettingen stichten en lamsvlees grillen, een nieuwe bron van bosbranden.

SPECULATIEDRANG

Terwijl de afgelopen zomer heel wat Griekse bosbranden voortwoekerden door een combinatie van droogte, onverschilligheid, bureaucratische incompetentie en speculatiedrang van projectontwikkelaars, liep het in Dadia nergens uit de hand. Beginnende brandjes worden door een alerte brandweer geblust. In de buurt van beekjes en bronnen zijn zo'n 100 watertanks aangelegd waaruit de brandweer kan tappen. Er zijn tientallen meters brede brandgangen aangelegd. Langs wegen, waar een uit de auto gegooid sigarettenpeukje funest kan zijn, wordt het strooisel verwijderd en een flinke strook kaalgemaakt, vooral van dennenboompjes. Brandende dennenappels springen soms tientallen meters weg en verspreiden het vuur razendsnel.

De brandgevoelige monocultures van Zwarte den maken geleidelijk plaats voor soortenrijke, gemengde loofbossen. Loofbomen zijn minder kwetsbaar voor bosbrand, omdat ze een hoger vochtgehalte in hun stam en bladeren bezitten en geen springende dennenappels bezitten. Overigens is de Calabrische den, die hier van oorsprong thuishoort, goed tegen bosbrand bestand. Vrijwel alle bomen van zo'n vijftig jaar of ouder hebben zwartgeblakerde stammen. Maar de takken, die pas op drie of vier meter hoogte beginnen, blijven aanvankelijk buiten bereik van de vlammen. Als het vuur binnen twee dagen worden geblust, groeit de Calabrische den daar overheen. 'Daarvoor is de medewerking van de lokale bevolking van het grootste belang' zegt Martijn van Triest van het Wereld Natuur Fonds. 'Op veel plaatsen in de wereld lijkt het bos alleen maar in de weg te staan en steken omwonenden de branden zelfs aan. Dadia laat zien hoe het anders kan.'