Walhalla

DE BIJLAGE Wetenschap en Onderwijs heeft uitgebreid aandacht besteed aan de dissertatie van Blokhuizen en Van Montfort. Uit die berichtgeving viel af te leiden dat bij de technische faculteiten van de hogescholen de vroegere hts'en, dus 31 procent van de beschikbare gelden naar het onderwijs gaat en 69 procent naar managementzaken. Dit is zo ongeveer het spiegelbeeld van hoe de overheid wil dat de gelden worden besteed.

Die meer dan treurige bevinding sluit aan bij een klacht die algemeen leeft onder docenten van instellingen die lump sum worden gefinancierd: dat het management zichzelf opblaast tot steeds grotere proporties zichzelf financieel in de watten legt en het onderwijs lijkt te beschouwen als een afgeleide van de eigen taken. Een voorbeeld van deze omgekeerde wereld: bij de universiteit waar ik laatst in dienst was luidde de regel dat de dagvergoeding voor studiereizen van wetenschappers en docenten de helft bedroeg van de bedragen waar het reizende management aanspraak op mocht maken. De werkruimten van het management bij universiteiten hogescholen en mbo-instellingen steken door hun luxe dramatisch af bij de sobere voorzieningen voor leraren en studenten. Iedere professionele organiatie met een vergelijkbare managementoverhead zou allang failliet zijn, maar in het onderwijs is het reden te klagen dat er te weinig geld komt uit Zoetermeer. Ook het voortgezet onderwijs zal, vrees ik, de komende jaren het beeld te zien geven van een verschuiving van uitgaven voor onderwijs naar management. Die ontwikkeling is namelijk haast onontkoombaar.

De uitvoering van het onderwijs ligt bij de leraren. Die moeten ervoor zorgen dat alles wat met leerlingen te maken heeft goed verloopt. Zij dienen erop toe te zien dat op bepaalde plekken niet wordt gerookt, niet in de gangen wordt rondgehangen, geen papiertjes op de grond worden gegooid, jassen niet op de verkeerde plekken worden opgeborgen kopietjes worden gemaakt, er toezicht is bij het inhaalproefwerk, en nog duizend van dit soort onbenullige taken en taakjes meer. Het leraarschap bestaat kortom voor een groot gedeelte uit werkzaamheden die saai vervelend en ver beneden het opleidingsniveau van betrokkene zijn.

Het is niet moeilijk maatschappelijke ontwikkelingen aan te wijzen die maken dat al dit soort randactiviteiten de laatste jaren steeds omvangrijker zijn geworden. Het is dus niet zo raar dat de helft van de leraren wel eens wat anders wil, zoals onlangs gehouden onderzoek uitwees. Dat andere is buiten de sector onderwijs nauwelijks te vinden: het gros van de leraren is zo'n 45 jaar of ouder en heeft nooit iets anders gedaan dan voor de klas staan. Op hen zit dus niemand te wachten. De enige mogelijkheid om dat andere te vinden is dan ook een plaats veroveren bij het management. Dat is het walhalla voor onderwijsgevenden. Hoe beroerder je het vindt om les te geven, dagelijks het gezeur en de smoezen van leerlingen aan te horen en naar de pijpen van het management te moeten dansen, des te aanlokkelijker wordt het deel te gaan uitmaken van de elite die de lakens uitdeelt.

Nu scholen voor voortgezet onderwijs steeds meer zeggenschap krijgen over de verdeling van de taken, zullen ook hier steeds meer leraren de kans schoon zien om zichzelf aan het onderwijshandwerk te ontworstelen. Het gevolg van het studiehuis zou wel eens kunnen zijn dat straks een substantieel deel van de tijd die nu door leraren aan onderwijs wordt besteed, richting management verschuift. Zo is het gegaan bij de hogescholen en vervolgens ook in het middelbaar beroepsonderwijs.