Universiteiten en de markt bijten elkaar niet

Op de opiniepagina van vrijdag 30 oktober schreef Patricia Huisman in reactie op mijn bijdrage over het opereren van universiteiten op de markt deze ontwikkeling gevaarlijk te vinden omdat ze geen vertrouwen heeft in het “bestaande systeem van kwaliteitsbepaling' voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Ze constateert terecht dat ik daar wel vertrouwen in heb.

Spreekt Huisman wel over het gehele universitaire onderwijs en onderzoek of bedoelt ze alleen iets over haar eigen vakgebied, de sociale wetenschappen, te zeggen? In haar bijdrage verwijst zij immers expliciet naar (het ontbreken van) de wetenschappelijke standaarden in dat vakgebied. Maar wat is de betekenis van de sociale wetenschappen in de discussie over universiteit en markt?

Internationale vergelijkingen laten zien dat Nederland tot de meest vooraanstaande landen behoort voor wat betreft de invloed van het wetenschappelijk onderzoek. Deze invloed is met name groot op beta-, technische, medische en landbouwwetenschappen. De score van de sociale wetenschappen bevindt zich rondom - of enigszins onder - het mondiale gemiddelde. Nederland heeft haar vooraanstaande internationale positie dan ook niet te danken aan de sociale wetenschappen. Uberhaupt is de inbreng van de sociale wetenschappen in het internationale wetenschappelijke forum beperkt.

Met ongeveer 13 procent van de wetenschappelijke input in Nederland dragen de sociale wetenschappen iets meer dan 6 procent bij aan de internationale output van Nederland. Dit is gelet op de aard van de discipline ook niet verwonderlijk: een groot gedeelte van het wetenschappelijke discours speelt zich af op het nationale forum. Het is echter zelfs voor een relatieve buitenstaander duidelijk dat dit nationale forum niet bepaald eensgezind opereert.

Wie de ongemeen felle polemiek in het sociaal wetenschappelijk magazine Facta over de rol van het gebiedsbestuur Maatschappij- en Gedragswetenschappen van NWO heeft gevolgd, moet wel tot de conclusie komen dat dit vakgebied nog volop in discussie is over zijn wetenschappelijke standaarden.

Voor de sociale wetenschappen in Nederland geldt dat het internationale forum in omvang beperkt is en dat het nationale forum verscheurd is. Misschien heeft Huisman gelijk en in zo'n geval is het betreden van de derde-geldstroom-markt niet zonder risico. Toch denk ik dat ook voor de sociale wetenschappen openbare kwaliteitsbeoordelingen, zoals de VSNU uitvoert, bijdragen aan de bewaking van het niveau van het wetenschappelijk werk.

Bovendien, twee derde van het onderzoek van de sociale wetenschappen wordt gefinancierd uit de eerste geldstroom. Zij hebben hiermee een naar verhouding stevig fundament in de eerste geldstroom, in ieder geval veel steviger dan de betawetenschappen waar minder dan de helft van het onderzoeksbudget wordt gehaald uit de eerste geldstroom. En dat terwijl die laatste het internationaal gezien aanzienlijk beter doen dan de sociale wetenschappen, ondanks dat relatief veel grotere aandeel extern gefinancierd onderzoek.

De markt zou de universiteit niet dienen maar de universitaire bestuurders een gemakkelijke oplossing bieden om de afnemende middelenstroom aan te vullen. Echte wetenschap zou niet gebaat zijn bij externe middelen omdat die de wetenschap ondermijnen en het onderwijs verschralen. Maar wie bepaalt nu eigenlijk wat goed onderwijs en onderzoek is? De onderzoekers zelf kunnen het volgens Huisman niet omdat de op peer review gebaseerde oordelen van onderwijsvisitaties en onderzoeksbeoordelingen onvoldoende gezag hebben. Iedere onderzoeker voor zich misschien?

Gelukkig hebben we de tijd dat een onderzoeker in zijn of haar ivoren toren aan het werk is, voorgoed achter ons gelaten. Universiteiten staan midden in de samenleving, doen onderwijs en onderzoek dat direct of indirect maatschappelijk relevant is, al dan niet expliciet in opdracht van die samenleving.

Universiteiten verantwoorden zich door middel van openbare rapportages over de kwaliteit en de effectiviteit, voorzover die al valt te meten, van hun wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Uit alles blijkt het met de kwaliteit van de wetenschappelijke prestaties gemiddeld wel goed zit, zij het dat sommige vakgebieden het beter doen dan andere.