Stemmen uit Siberie; FONETICUS TJEERD DE GRAAF RECONSTRUEERT ARCTISCHE MINDERHEIDSTALEN

In de Poesjkin Dom in St Petersburg bevindt zich een enorme collectie historische geluidsfragmenten van volkeren uit de Russische Federatie. Voor het conserveren en reconstrueren van deze taalschat ontvangt de Groningse foneticus dr. Tjeerd de Graaf komende woensdag van de Universiteit van St Petersburg een eredoctoraat.

IN ZIJN WERKKAMER in het Groningse Harmoniegebouw wijst dr. Tjeerd de Graaf op een kaart van de Russische Federatie. 'Dit weekend was er een symposium van het Arctisch Centrum over de vervuiling van het poolgebied. Er was iemand uit Narjan Mar, het autonome gebied van de Nenets. Dat is een Samojedenvolk uit Noord-Rusland, vlakbij de Barentsz Zee. Die man was uitgenodigd om te vertellen over de gigantische ecologische problemen in het kustgebied daar, zoals lekkend radioactief afval uit kernonderzeeers. Ik was er om te tolken. Tussendoor vertelde hij me dat hij graag zou zien dat de Nenets hun eigen cultuur weer in ere zouden herstellen, dat oude gebruiken zouden terugkeren, dat er weer onderwijs zou komen in de eigen taal.'

Komende woensdag, wanneer De Graaf zijn jarenlange inspanningen om arctische minderheidstalen te bestuderen - en waar mogelijk nieuw leven in te blazen - beloond ziet met een eredoctoraat van de Universiteit van St Petersburg, zal hij pleiten voor steun aan volkeren als de Nenets. 'Cultuur is een belangrijk aspect, die moet je zoveel mogelijk in stand houden. Met iedere taal die uitsterft verarmt de wereld.'

Tjeerd de Graaf (60) is in Groningen hoofddocent fonetiek. De Noord-Russische minderheidstalen, zijn uiteindelijke specialisme kwamen laat in beeld. Na de HBS koos hij theoretische natuurkunde, zelfs promoveerde hij in 1969 op de neutrino's in de kosmos. Daarnaast studeerde hij Slavische talen, uit interesse. De Graaf: 'Begin 1960 kon ik een paar maanden naar Polen om de taal te leren. Liever was ik met dat doel naar Moskou of St Petersburg afgereisd, maar dat was toen ondenkbaar. De geslotenheid van het Oostblok intrigeerde me zeer. Daar wilde ik meer van weten, zeker na het succes van de Spoetnik.'

Na een verblijf aan het Instituut voor Theoretische Astronomie in Cambridge, waar De Graaf met pioniers als Fred Hoyle en William Fowler twee boeiende jaren doorbracht, begon het te knagen: op het gebied van de neutrino's had je al gerenommeerde laboratoria in Brookhaven en Geneve, wat kon hij in Groningen nog toevoegen? Via zijn contacten met de Slavisten stapte hij in 1975 over naar de letterenfaculteit. Het waren de beginjaren van de computerlinguistiek, een gebied waarop de Russen zich nadrukkelijk manifesteerden. De Graaf ontwikkelde computertechnieken om het analyseren van spraak te verfijnen. Maar zijn eigenlijke interesse lag op het gebied van de fonetiek, de studie van de spraakklanken.

De weg naar de Russische minderheidstalen liep via Japan. Op het Groningse instituut had De Graaf samengewerkt met gastmedewerkers uit dat land en hun klanksysteem en schrift fascineerden hem. Nadat hij in 1986 in Tokio op een congres over logopedie en foniatrie een voordracht had gehouden over de 'Groningse Button', een stemprothese voor mensen zonder strottenhoofd ging hij langs bij de laserfysicus Asakura. Die deed in Sapporo, gelegen op het meest noordelijke Japanse eiland Hokkaido, onderzoek naar oude wasrollen, de in 1877 door Edison uitgevonden eerste geluidsdrager. Het geluid werd in een trechter opgevangen, waarna een trillend membraan een naald in een waslaag drukte. Door de rol te draaien en op te schuiven ontstond een spiraalspoor. Hoe harder het geluid, hoe dieper de afdruk. Op zo'n wasrol paste twee a drie minuten geluid. De Graaf: 'Tot in de jaren dertig zijn er opnamen mee gemaakt, toen kwam de grammofoonplaat. Omdat veel van die rollen beschadigd zijn, en mechanisch aftasten de waslaag aantast, tastte Asakura ze af met een laserstraal.

Uit de variaties in de teruggekaatste bundel destilleerde hij het oorspronkelijke geluid.'

LASERTECHNIEK

Asakura had De Graaf uitgenodigd in zijn laboratorium een kijkje te komen nemen. Toen hij hoorde dat er ook in Amsterdam honderd van die oude wasrollen bewaard werden, stelde hij een samenwerkingsproject voor. In 1988 kon de Graaf met een Japanse beurs drie maanden naar Sapporo om zich de lasertechniek eigen te maken. De Graaf: 'Ik heb toen aardig Japans geleerd, een van mijn doelen, maar van het plan om Asakura's lasermethode in Groningen te introduceren is nooit wat gekomen. Achteraf ben ik daar niet rouwig om. Asakura liet me Poolse wasrollen horen uit 1905, met liederen en volksverhalen van de Ainu's. Dat zijn oorspronkelijke bewoners van Hokkaido, de Koerilenarchipel en Sachalin, een duizend kilometer lang eiland boven Hokkaido. Daar wilde ik meer van weten. Met Kyoko Murasaki een taalwetenschapper die zich tientallen jaren in de Ainu's heeft verdiept, zocht ik de twee laatste sprekers van de Sachalin-variant op. De oude vrouwtjes waren naar Hokkaido uitgeweken toen Japan na de nederlaag in 1945 Zuid-Sacharin aan Rusland terug moest geven - de Koude Oorlog is daar ingevroren. Ik was erbij toen ze de wasrollen beluisterden en becommentarieerden, zelfs herkenden ze mensen uit hun oude dorp. De laatste van die twee overleed in 1994, waarmee het Ainu op Sachalin is uitgestorven.'

In 1988 zat Sachalin voor niet-Russische onderzoekers nog potdicht, ook al vanwege het slepende territoriale geschil met Japan om enkele zuidelijke Koerillen-eilanden. Maar toen de perestroika in 1990 tot Oost-Siberie was doorgedrongen, kreeg een Japanse expeditie onder leiding van Murasaki toestemming om op het eiland taalkundig en etnografisch veldwerk te doen.

Ook De Graaf was van de partij. 'Mij ging het om bijzondere klanken in talen als het Nivkh, een taal met nog maar 400 sprekers - de Russen hebben de oorspronkelijke volkeren totaal overvleugeld. Ik merkte subtiele verschillen in de uitspraak van plofklanken die ook in Noord-Amerikaanse indianentalen voorkomen. In het Hokkaido-Ainu, waarvan nog een handjevol sprekers bestaan, constateerde ik interessante fonologische verschijnselen aan het begin van een woord. Afhankelijk van de positie wordt de eerste medeklinker anders uitgesproken, een p kan een f of een b worden, en eventueel een v. Een woord dat je hoort kun je dus niet in een woordenboek opzoeken, iets wat het Keltisch ook heeft. Voor een foneticus allemaal zeer interessant.'

Na de afsluitende conferentie over de Sachalin-expeditie in 1991 deed De Graaf op de terugweg de stad Novosibirsk aan, in Zuid-Rusland. Vandaaruit bezocht hij in het Altai-gebied, niet ver van Kazachstan groepen Mennonieten, doopsgezinden die in de zestiende eeuw om hun geloofsprincipes de Lage Landen ontvluchtten. De Graaf: 'Mijn wortels liggen in Friesland, mijn grootouders waren doopsgezind, dat geeft een sterke band. In de Mennonitische dorpen die ik bezocht sprak men Plautdietsch, een taal die verwant is met het Fries, Nedersaksisch en het Nederlands. In 1995 heb ik ook Mennonietengemeenschappen in Canada bestudeerd. Je kijkt dan bijvoorbeeld naar wat er in hun taal herinnert aan de oorspronkelijke klankstructuur.'

ERKENNING

Intussen had De Graaf intensieve contacten opgebouwd met taalwetenschappers in St Petersburg, in Rusland het centrum voor de studie van minderheidstalen. In 1992 initieerde hij een Nederlands-Russisch project om wasrollen met kleine arctische talen in kaart te brengen, te reconstrueren en te analyseren.

De Graaf: 'St Petersburg is een goudmijn als het gaat om oud geluid. In de Poesjkin Dom, het hoofdgebouw van de Russische Academie van Wetenschappen, liggen tienduizend wasrollen en ruim vijfhonderd wasplaten, uniek materiaal dat het hele keizerrijk omvat. Met geld uit Brussel zijn Russische onderzoekers sinds enkele jaren aan de slag - het project is nadrukkelijk ook bedoeld om de lokale wetenschapsbeoefening op gang te houden. Het eredoctoraat zie ik tevens als een erkenning voor hun werk. De Duitse kolonistendialecten, waaronder opnamen met liederen, zijn inmiddels afgehandeld. Een deel van het materiaal is uitgebracht op compact disc. Met het Jiddisch, de taal van de joden in Oost-Europa die aan het begin van de eeuw nog miljoenen sprekers had, hopen we snel te beginnen. Nu is die taal in rap tempo bezig te verdwijnen.'

De aan te leggen database met geluidsfragmenten - een deel komt op het internet - biedt de onderzoeker een uitgelezen kans om oudere versies van minderheidstalen te vergelijken met wat er nu gesproken wordt. Dat geldt bijvoorbeeld voor Jakoetie. In de zomer van 1994 nam De Graaf op uitnodiging van Japanse onderzoekers uit Nagoya deel aan een veldwerkexpeditie naar de arctische volkeren in dit deel van Oost-Siberie. 'We zaten in het noorden, aan de Lenarivier. In een woest en drassig gebied, zes keer zo groot als Nederland, leven daar 15.000 mensen. Wegen zijn er niet, vervoer gaat per vliegtuig of helikopter alleen 's winters kun je reizen per slee. Ons nomadendorp was volledig van de buitenwereld afgesloten. Men leeft van rendierteelt, visvangst en bessen. De Russen trekken er weg, die houden het in tijden van economische crisis, wanneer de aanvoer van groente en meel stokt, niet vol.

Alles draait om ruilhandel, de dollar is een virtueel begrip.'

Het Jakoetisch, de nationale taal, staat er met 350.000 sprekers goed voor. Dat kan moeilijk gezegd worden van kleine taaltjes als het Even, het Choekchi of het Joekagir, al zijn er lokale initiatieven om ze nieuw leven in te blazen. De Graaf: 'Frits Kortlandt, hoogleraar vergelijkende taalwetenschap in Leiden, heeft op het Joekagir twee onderzoekers gezet mooi complementair werk dat voortvloeit uit zijn Spinoza-premie van vorig jaar. Ook heb ik contacten met Blasing, die doet in Leiden belangrijk werk aan de Toengoenische talen. Interessant zijn lokale pogingen om de kleine artische talen via onderwijs of kranten nieuw leven in te blazen. Iets dergelijks gebeurt in Californie voor bedreigde indianentalen. Zulke pogingen tot cultuurbehoud zijn van hoge waarde.'

BOOMSTRUCTUREN

De Graaf heeft geen andere pretentie dan het zorgvuldig fonetisch beschrijven van hetgeen hij waarneemt. 'Vergelijkende taalwetenschappers als Kortlandt hebben een veel bredere kennis en kunnen beter dan ik systematiek aanbrengen. Mijn expertise ligt op het technische vlak, goede geluidsopnamen maken tijdens veldwerk. Alleen hoop ik dat individuele onderzoekers als ik, die toevallig tegen interessante projecten oplopen en een hekel hebben aan bureaucratische vijfjarenplannen van massale onderzoeksscholen, voldoende ruimte houden. Die PET-scanner hier in Groningen heeft allerlei dure projecten met zich meegebracht waarbij ze Chomskyiaanse theorieen inclusief de vreselijkste boomstructuren willen verifieren door mensen radioactief water in de spuiten en te kijken hoe de hersenen reageren. Ik heb daar nooit in geloofd. Het zijn prachtige apparaten om de buitenwacht mee te imponeren, maar het gaat wel ten koste van onderzoek dat ook moet gebeuren: het beschrijven van talen en het onderzoeken van hun geschiedenis.'

De Graafs beste studenten komen niet van algemene taalwetenschap, maar zijn opgeleid bij finoegristiek of Slavische talen. 'Het vervelende van de Chomskyiaanse ideologie is dat hij ook tot het onderwijs doordringt. Studenten worden doodgegooid met generatieve grammatica, maar voor vergelijkende taalwetenschap en historische taalkunde is geen tijd. In Berkeley, waar ik van de zomer was, merkte ik dat ze weinig ophebben met taalkundig getheoretiseer, waarbij een klanksysteem niet kan terwijl het in een Paleo-Siberische taal wel degelijk voorkomt. Dogmatisch Chomskyisme is er achterhaald, een fase die wij in Nederland nog niet hebben bereikt.'

Een tweejarig vervolg op het samenwerkingsproject met St Petersburg kan opnieuw op financiele steun uit Brussel rekenen. De Graaf: 'Waar ik in geinteresseerd ben: hoe kun je aan kinderen waarvan de ouders, soms zelfs de grootouders, de taal niet meer spreken, toch iets van die taal en de bijbehorende cultuur meegeven. Graag wil ik bijdragen aan het herleven van de arctische minderheidstalen, zoals die van de Nenets aan de Barentsz Zee. Binnenkort gaan we in Noordwest-Rusland aan de slag met contactdialecten tussen enkele Finoegrische talen en het Russisch waaronder het Komi. Aan veldwerk geen gebrek. En de wasrollen in de Poesjkin Dom houden ons nog tientallen jaren bezig.'

    • Dirk van Delft