RADIOSTERRENSTELSELS ZIJN GEEN ONWRIKBARE REFERENTIEPUNTEN

Het nieuwe stelsel van vaste referentiepunten aan de hemel is nog geen jaar in gebruik, of er zijn alweer astronomen die op de grenzen ervan wijzen. Het stelsel fungeert sinds 1 januari 1998 als 'vaste achtergrond' bij bijvoorbeeld het meten van de aswenteling van de aarde en het vastleggen van de beweging van planeten en andere hemellichamen. Het stelsel is gebaseerd op de positie van sterrenstelsels die zo ver weg staan dat zij als vaste punten aan de hemel mogen worden beschouwd.

De overal aanwezige zwaartekracht maakt echter dat ook dit stelsel zijn grenzen heeft, aldus astronomen in de Monthly Notices of the Royal Astronomical Society (300, p. 287).

Eeuwenlang zijn het de sterren geweest die als vaste punten fungeerden bij het vastleggen van de beweging van hemellichamen en het meten van de tijd. Sterren staan echter kosmisch gesproken zo dichtbij dat hun beweging in de ruimte na verloop van tijd merkbaar is in een (geringe) verschuiving aan de hemel. En omdat die verschuiving niet precies bekend is, neemt de nauwkeurigheid van een aan sterren gekoppeld referentiestelsel geleidelijk af. Daarom is dit stelsel op instignatie van de Internationale Astronomische Unie op 1 januari vervangen door een stelsel, het International Celestial Reference Frame (ICRF), dat gekoppeld is aan radiosterrenstelsels.

De posities van deze 212 referentiepunten kunnen nu met behulp van radiotelescopen worden bepaald met een nauwkeurigheid van (veel) beter dan een duizendste boogseconde: het hoekje waaronder men vanaf de aarde een mens op de maan zou zien. Astronomen van het Sternberg Astronomisch Instituut in Moskou hebben echter berekend dat de straling van zo'n radiopuntbron door het gravitatieveld van de sterren in ons melkwegstelsel enkele tot enkele honderden microboogseconden van de rechte weg wordt afgebogen. Die afbuiging zou niet zo'n bezwaar zijn als hij constant was, maar door de eerdergenoemde beweging van sterren is ook die afbuiging variabel.

De Russische astronomen laten zien dat de bewegende sterren in de loop van zo'n twintig jaar variaties in de orde van een microboogseconde in de posities van de verre referentiepunten veroorzaken. Dat is weliswaar een zeer gering bedrag (het hoekje waaronder men vanaf de aarde de pupil van het oog van een mens op de maan zou zien), maar positiemetingen met behulp van ver uit elkaar staande radiotelescopen komen al dicht in die buurt.

Niet bekend

(George Beekman)