Normaal berichtenverkeer

Bij het herstel van de PTT, zo liet het hoofdbestuur in het jaarverslag over '45 en '46 noteren, ging het bedrijfsbelang hand in hand met het landsbelang. 'Eerst indien het berichtenverkeer weer normaal functioneert, kan het maatschappelijk leven zich volledig ontplooien.'

Daarbij was de arbeidsproductiviteit een bron van zorg. Deze was afgenomen door 'lichamelijke en geestelijke afmatting veroorzaakt door de oorlogsdruk, en aantasting van de wil en de bereidheid tot eerlijke arbeid als gevolg van de demoraliserende invloed van de bezettingsperiode'.

Bovendien moest het staatsbedrijf op de arbeidsmarkt opboksen tegen een particuliere sector die hogere lonen kon betalen.

Verbetering van arbeidsverhoudingen en -voorwaarden genoot daarom een hoge prioriteit. Zo werd ook de zuivering bezien. Onbetrouwbaar gebleken elementen werden vooral verwijderd en bestraft om de werksfeer te verbeteren. Eind '46 was over bijna vierduizend personeelsleden rapport gemaakt. Tegelijkertijd werd een aantal ontslagen wegens oneerlijkheid daterend uit de laatste oorlogsjaren, heroverwogen. Als aannemelijk kon worden gemaakt, dat diefstal uit pure nooddruft was gepleegd, mocht iemand terugkomen.

Eind '46 had de PTT 27.000 mensen in dienst, met inbegrip van 2.550 vrouwen. Het percentage vaste betrekkingen was veel hoger dan voor de oorlog. Dat kwam de lieve vrede ongetwijfeld ten goede maar het bedrijfsresultaat niet. Deze mensen moesten nu ook voor de ledige uren betaald worden. Mede daardoor zou het tot 1953 duren voordat het postbedrijf weer winst begon te maken.

De oorlog had het bedrijf grotendeels teruggeworpen op paardentractie. In heel Nederland reden bij de bevrijding nog maar 45 postauto's. Dit wagenpark werd zo spoedig mogelijk uitgebreid met huurauto's. Bovendien konden weldra dumpauto's worden betrokken uit de opslagplaatsen van het Canadese leger. Eind '46: 304 postauto's met een capaciteit van 451 ton vracht. Voor de bestellers waren intussen voldoende fietsbanden beschikbaar gekomen om verschillende loopdiensten om te zetten in rijwieldiensten.

In de winter van '45 kostte het vijf weken om een brief, die in Amsterdam op de bus werd gedaan, in Groningen te bezorgen. In juni was dat nog maar tweeenhalve dag, en in oktober welgeteld 6 uur en 43 minuten.

Eind '45 waren zo'n beetje alle postkantoren weer open. Ter vervanging van verwoeste of zwaarbeschadigde inrichtingen, waren noodvoorzieningen getroffen ('nieuwbouw is voorhands uitgesloten'). In 1946 konden alweer 1,4 miljard poststukken worden verwerkt. Tevens kondigde het bedrijf een studie aan naar het gebruik van 'helicopteres' ter verhoging van het vervoerstempo. En een voortgaande mechanisatie van distributie en expeditie natuurlijk.

Brievenbussen werden tweemaal daags gelicht, in de grote steden zelfs driemaal. De post werd tweemaal daags bezorgd. Een stuk dat 's morgens werd verzonden, kon doorgaans dezelfde dag nog ter bestemder plekke worden afgeleverd.

In '46 werden, om de financiele positie van het bedrijf te verlichten, de posttarieven drastisch verhoogd namelijk met dertig tot vijftig procent. Voor brieven tot twintig gram gold nu een lokaal tarief van zes cent, en een interlokaal van tien cent.

In mei werd de Nationale Hulpzegel uitgegeven ten behoeve van oorlogsslachtoffers, in september de Prinsessezegel (met afbeeldingen van onze drie prinsesjes) ten behoeve van kinderen en de bestrijding van tbc en in december de traditionele Weldadigheidszegel.

Verder had de PTT nog het een en ander te stellen met de telefoondienst en het telegraafbedrijf (het telegram beleefde hoogtijdagen zolang de telefoon bleef haperen). En de Postcheque- en Girodienst: 495.000 rekeningen met een totaal tegoed van 1,3 miljard gulden. En de radio - eind '46 waren voor 697.000 toestellen luistervergunningen geregistreerd; door 107 controleurs werden dat jaar 1.366.169 bezoeken afgelegd en in 124.541 gevallen een niet-aangegeven toestel of achterstallige betaling gerapporteerd.

Van de sfeer in de onderneming in '46 krijg je een indruk bij het doorbladeren van PTT-Bedrijfsbanden het personeelsblad.

In maart een oproep van de Anti-Verspillings Vereniging aan het geheele personeel om 'geen kleine stukjes potlood weinig gebruikte pennen, onbeschreven vellen papier of papierhechters' (paperclips?) in de prullenmand te gooien. Ook ledige inktflessen titanolpotten, spoelen voor inktlinten en dergelijke dienen niet te worden weggegooid maar ingezameld.

In mei bij een foto van een verschrikt kijkende man met wild golvend haar: 'WIE KENT DEZE JONGEMAN? Door geheugenstoornis is zijn identiteit niet vast te stellen. Hij werd aangetroffen in het kamp Strassenhoff bij Wenen, waar hoofdzakelijk Nederlandse PTT-ambtenaren verbleven'.

In juli: 'De PTT doet een dringend beroep op het publiek om geen PTT-ambtenaren om te kopen ter verkrijging van een telefoon- of radiodistributie-aansluiting. Het bedrijf zal niet aarzelen, zodra een geval van omkoping of poging tot omkoping wordt ontdekt, hiervan aangifte te doen bij de justitie'.

En in de rubriek 'PTT-ers in den vrijen tijd' treffen we na de bloemenkweker, de gobelinvervaardiger, de jager, de motorrijder, de speelgoedmaker en de speerwerpster, een voetballer aan: Kees Rijvers tekenaar bij het telefoondistrict Breda, linksbinnen bij NAC en nu ook bij het Nederlands elftal. Na terugkeer uit Luxemburg, waarhij de zieke Kick Smit heeft vervangen (en met 6-2 gewonnen), heeft hij van zijn afdeling een fraaie kamerplant cadeau gekregen.

De oorlog, de schaarste, het herstel en de vrijheid - het is er allemaal, en het is er steeds.

Zo heb ik een ochtend doorgebracht in de bibliotheek van het PTT-museum in Den Haag.

Naturlijk heb ik bij het komen en gaan ook de inrichting van het museum zelf in ogenschouw genomen. Wat dan opvalt: dat allerlei attributen, die me aan mijn jeugd herinnerden, al van ver voor die tijd waren.

De standaardbrievenbus (brandweerrood manshoog, gietijzer, een gleuf voor brieven en een gleuf voor drukwerk) - sinds 1850.

Het PTT-uniform (bijna zwart laken, rode bies, hoge kraag, platte pet, koperen knopen) - overeenkomstig het Rijkskledingbesluit van 1928.

De postzegelautomaat (hardblauw, twee centen voor een postzegel van twee cent, eerst geld inwerpen daarna de kruk ronddraaien tot de bel overgaat) - van 1935.

De telefooncel (vierkant, glas in een zilvergrijs frame, fletsblauwe bovenrand met het woord 'telefoon', kettinkje aan de deur) - ook van midden jaren '30.

En de postwagon voor de nachttrein (met een sorteerafdeling) - van 1939.

Verder: de loodzware huisstijl. Overal het staatshoofd, overal die klimmende leeuwen, je maintiendrai. Dit was niet zomaar een bedrijf, dit was een instantie van de overheid, een apparaat van het gezag, een manifestatie van het Rijk.