MEER DAN EEN KLEIN DIPJE

EIGENLIJK IS Emmie Pepping op het Utrechtse College Blaucapel, een christelijke school voor mavo, havo en vwo, een vreemde eend in de bijt. 'Ik hoor bij de school, maar sta er toch buiten', zegt ze. 'Blaucapel heeft mij voor 150 uur per jaar ingehuurd om als hulpverlener gesprekken te voeren met kinderen die tijdelijk de greep op hun leven zijn kwijtgeraakt.'

Officieel heet haar functie 'ontwikkelingsbegeleider', maar als Pepping dat woord uitspreekt fronst ze haar wenkbrouwen. 'Niet zo'n gelukkige term', vindt ze. 'Je moet het zo zien: ik sta tussen de leerlingbegeleiders van de school en het Riagg in.' Zo'n 30 tot 35 leerlingen komen jaarlijks op haar spreekuur in het kamertje op de derde verdieping. Het aantal gesprekken ligt gemiddeld op vijf à zes en ieder gesprek duurt een uur. 'Dan zijn niet alle problemen opgelost', zegt Pepping, 'maar ze hebben vaak wel het gevoel dat ze weer invloed op hun situatie hebben.'

De meeste kinderen die bij Pepping komen zijn doorverwezen door leerlingbegeleiders en mentoren die merken dat er iets meer aan de hand is dan een klein dipje. Soms komen leerlingen ook op eigen initiatief. 'Ik vind het van lef getuigen dat de school dit aanbod doet', zegt Pepping. 'De problemen waarmee kinderen bij mij komen hebben invloed op hun schoolwerk en op hun relaties met medeleerlingen en docenten, maar meestal zijn ze niet zo zwaar dat een langdurige therapie bij een Riagg nodig is. Ik voorkom in de meeste gevallen dat ze daar terechtkomen.' Als er wel zwaarder therapeutisch geschut nodig is, verwijst ze door.

Zo'n acht jaar geleden kwam Pepping min of meer toevallig op College Blaucapel terecht. Ze had een opleiding tot hulpverlener gevolgd aan de Interactie Academie in België en vond dat ze iets specifieks te bieden had voor het middelbaar onderwijs. Dat had vooral te maken met haar praktische aanpak, die haar uitermate geschikt leek voor jongeren in de puberleeftijd. Ze plaatst het probleem in beginsel niet in de jongere zelf, maar zoekt het vooral in de communicatie met de omgeving, zoals ouders, leeftijdgenoten en school. Pepping vindt dat volwassenen veel te veel geneigd zijn om problemen te psychologiseren en binnen het kind te leggen. 'Daarmee zeggen ze in feite: het ligt aan jou, er is iets ergs met je aan de hand. Ik ga niet eindeloos in de ziel roeren. Door kinderen serieus te bevragen kun je er samen achter komen waarom ze niet lekker draaien. Je kunt ze laten zien dat er ook nog andere manieren zijn om tegen hun probleem aan te kijken.'

Toen Pepping deze werkwijze acht jaar geleden in een oriënterend gesprek met de conrector van Blaucapel uit de doeken deed, kreeg deze ogenblikkelijk een aantal leerlingen voor ogen die baat zouden hebben bij deze vorm van hulp. 'Ik kon meteen de week erna met een paar leerlingen aan de slag', vertelt Pepping. 'De eerste tijd hebben we van beide kanten de kat uit de boom gekeken, maar toen bleek dat het werkte heb ik een contract op freelancebasis gekregen voor 150 uur per jaar. Voor een school als deze met zo'n duizend leerlingen is dat voldoende.' In de loop der jaren heeft Pepping als ontwikkelingsbegeleider een vaste plek veroverd binnen College Blaucapel. Ze staat in de schoolbrochure en op open dagen wordt steevast aan ouders en leerlingen verteld dat de school over een eigen hulpverlener beschikt. 'Veel kinderen vinden dit een plezierige vorm van hulp', zo heeft Pepping de afgelopen jaren ervaren.

Eindexamenleerling Jet (18) kan dat beamen. Toen ze ongeveer twee jaar geleden in een 'rotperiode' terecht kwam, heeft ze een aantal gesprekken met Emmie Pepping gehad. Hoe ze bij haar terecht is gekomen kan Jet zich niet goed meer herinneren. Waarschijnlijk via haar mentor, denkt ze nu. Al langere tijd had ze problemen met de scheiding van haar ouders, maar toen haar oma na een zwaar ziekbed overleed, leek het of alles tegelijk op haar af kwam. De relatie met haar vader stond onder spanning en ze voelde zich keer op keer teleurgesteld in haar verwachtingen jegens hem. 'Ik nam hem de scheiding kwalijk en ik dacht dat hij niet van me hield. Maar ik kon dat niet tegen hem zeggen', legt Jet uit. Ze luchtte wel eens haar hart bij een oom en tante en bij haar beste vriendinnen, toch vond ze het prettig om met een neutrale buitenstaander te praten. 'Ik voelde me bij Emmie op m'n gemak, ze luisterde goed en we gingen uitzoeken waarom ik zo teleurgesteld in mijn vader was.'

Dat was lang niet makkelijk, herinnert ze zich, en hoewel ze Emmie helemaal niet kende, moest ze ook wel eens huilen. Maar achteraf gaven de gesprekken haar een gevoel van opluchting. Uiteindelijk heeft ze in een gesprek met haar vader kunnen uitleggen wat haar dwars zat. Jet: 'Bij Emmie heb ik geleerd om anders naar mijn vader te kijken.' Aan het begin van dit eindexamenjaar is ze weer even teruggegaan naar Emmie Pepping. Ze had het gevoel dat ze de druk van het examen niet aankon en zat vol twijfel over het leven na de middelbare school. Zelf vond ze het normaal dat ze op kamers wilde wonen, maar haar moeder dacht daar anders over. Ze vindt dat Jet het thuis prima heeft. 'Dat is ook zo', zegt Jet, 'dus snapt ze niet dat ik toch zelfstandig wil wonen.' Door de gesprekken met Emmie kan ze nu beter begrijpen waarom haar moeder haar liever niet wil laten gaan, maar ze weet ook dat ze mag opkomen voor haar eigen wensen.

Met dit soort problemen zou Jet niet snel op een mentor of leerlingbegeleider afstappen. 'Dat zijn mensen die les geven en bovendien zijn veel leraren er niet geschikt voor', oordeelt ze. Een Riagg zou Jet 'doodeng' vinden, bovendien, zegt ze, 'zijn er mensen die veel ergere dingen hebben dan ik'. Ze vindt het goed dat Emmie op school zit. 'Dat maakt het makkelijker om naar haar toe te gaan want je bent er toch elke dag. Het geeft trouwens ook aan dat de school het belangrijk vindt dat leerlingen die zich rot voelen ergens terecht kunnen. Als Emmie er niet was geweest, had ik niets anders gehad.'

De problemen waarmee de leerlingen naar Emmie's kamertje komen zijn erg divers. 'Er zijn kinderen met zwerfouders, of ouders die verslaafd zijn. Ik heb een categorie ziekte, dood en scheiding. Ook heb ik soms te maken met kinderen die extreme faalangst hebben of erg gepest worden. Daarnaast komen er nogal wat leerlingen die moeite hebben om in twee culturen te leven of die thuis de 'gewone' puberproblemen hebben. Wat ze gemeen hebben is dat ze zich benadeeld voelen, ze hebben geen invloed op de situatie. Daar begin ik dan ook altijd mee.'

Zorgelijke vindt Pepping de brugklassertjes die 'gedetermineerd' zijn voor havo of vwo maar dat niveau niet aan kunnen. 'Ze willen het zó goed doen voor hun ouders, ze moeten zich zo waarmaken, dat is soms zielig om te zien.' Dit werk kan volgens Pepping beter door een relatieve buitenstaander dan door leraren worden gedaan. 'Voor leerlingen blijven zij altijd degenen die cijfers geven en bij wie ze in de klas zitten. Dat is voor hun gevoel een vermenging van rollen.'

Wat in haar kamertje besproken wordt gaat niet zonder de toestemming van de leerling naar buiten. Ook niet als ouders bellen. Als kinderen per se niet willen dat de ouders erbij betrokken worden dan gaat Pepping daar mee akkoord. 'Anders ben ik het kind kwijt', zegt ze. Ook veel leerkrachten van Blaucapel zijn blij met haar aanwezigheid. 'Regelmatig hoor ik: 'We zijn zo blij dat we leerlingen met problemen naar jou kunnen doorsturen. Er wordt dan gelukkig iets meegedaan'.'