Kunsmatige insinuwasie

Bij de presentatie van Ut Groen-Geile Boekie, de offesjeile spelling vannut Haags, werd woensdag veel Haags gesproken, zelfs door ut dorrepshauf Wim Deitman. Ik ben, hoewel opgegroeid in die contreien blij dat ik daar niet als verslaggeefster bij was. Hoe krijg je het voor elkaar om het gesproken Haags correct te citeren? Zelfs met het Groen-Geile Boekie op zak zou het me niet gelukt zijn. Het drukt je als journalist nog eens met de neus op het probleem van het letterlijk citeren, waar ik vorige week over schreef naar aanleiding van de zaak Huibregtsen tegen de Volkskrant. Volgens Hans Ree (in deze krant), John Jansen van Galen (in Het Parool) en Lex Dura (in Vrij Nederland) draafde ik door. Ik hepput heilemaal verbruist en daah bennik heilemaal anti-teige. Dat zah ik nie op me gehuige wille hebbe. Ik ben zeikah misgeinfoameahd, ik hah vannut nattere vingahwerrek, maah nau gaattik me conclusies uittrekke.

Ree meent dat de bezwaren van journalisten tegen de veroordeling van de Volkskrant wegens onjuist citeren zo kunnen worden samengevat: 'Vertrouw op ons, we hebben onze ambachtelijke bekwaamheid en integriteit dus controle is niet nodig.' Een uit de lucht gegrepen conclusie. Les een van de journalistiek is dat feiten en citaten moeten kloppen, dat je mensen geen woorden in de mond mag leggen en dat fouten horen te worden rechtgezet. Laat daar nou geen misverstand over bestaan. Het is me gelukkig nog nooit overkomen dat een geinterviewde zich achteraf beklaagde over onjuist gebruik van aanhalingstekens of verkeerde parafrasering. Maar het kan gebeuren, in elk beroep worden fouten gemaakt en ook journalisten moeten daar ruiterlijk voor uitkomen.

Als Hans Ree iets duidelijk maakt, is dat het niet meevalt om iemand correct weer te geven. Hij schrijft bijvoorbeeld dat ik Huibregtsen heb afgeschilderd als een gewetenloze geldwolf. Het woord gewetenloos heb ik echter niet gebruikt ik matig me geen oordeel aan over het geweten van een ander. Ree legt het me in de mond en dat is, op z'n Haags, een 'kunsmatige insinuwasie'.

Wat kan iemand die in een krant fout wordt geciteerd, of wiens opvatting onjuist wordt samengevat, ondernemen? In een ingezonden brief vertellen wat wel gezegd of bedoeld is, rectificatie van de krant vragen, een klacht indienen bij de Raad voor de Journalistiek wegens onzorgvuldigheid, in kort geding bij de president van de rechtbank rectificatie eisen. Al deze stappen zijn in de zaak-Huibregtsen achterwege gebleven. De voormalige voorzitter van NOC-NSF heeft een vijfde mogelijkheid gekozen - zijn goed recht overigens - door in een civiele procedure een verklaring te eisen dat de Volkskrant jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

Deze procedure won hij omdat de Volkskrant van de rechtbank moest bewijzen dat Huibregtsen in een telefoongesprek de woorden lafheid en saboteur had gebruikt, welk bewijs in een welles-nietes-situatie onmogelijk te leveren valt.

Ree vindt het bevredigend dat de bewijsplicht bij de gedaagde in plaats van bij de eiser is gelegd. Als het andersom was houdt hij mij voor, zou hij mij bijvoorbeeld van verschrikkelijke misdaden kunnen betichten en er, als ik hem voor de rechter zou dagen, mee kunnen volstaan te zeggen: 'Bewijs maar eens dat je die misdaden niet gepleegd hebt.' Ree snapt er niets van. Wie stelt moet bewijzen, dacht ik, dus wat ik in zo'n geval zou stellen is dat Ree mij had belasterd. Het bewijs ervan zou ik leveren in de vorm van het knipsel waarin hij mij van die verschrikkelijke misdaden beticht. Vervolgens zou Ree dan weer tegenbewijs kunnen aanbieden door te stellen dat hij niet lasterde, maar dan moet hij op zijn beurt aantonen dat ik die misdaden heb gepleegd.

Ik ga erop door omdat de kwestie van principieel belang is uit het oogpunt van journalistieke nieuwsgaring. Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, heeft drie maanden om in hoger beroep te gaan. Hij weet nog niet wat te doen, zegt hij: het belang van de krant kan zijn het er maar bij te laten zitten, terwijl de meningen in de beroepsgroep uiteen lopen. Misschien moet de Nederlandse Vereniging van Journalisten aanbieden een deel van de proceskosten te betalen. NVJ-secretaris Hans Verploeg vindt het vonnis namelijk gevaarlijk voor de journalistiek als zodanig: 'De rechter legt een onwerkbare bewijslast bij de journalist. Scherpe interviews, stevige opmerkingen, kortom uitspraken op de rand van de snede zullen hierdoor verminderen.'

Anderen relativeren dit gevaar. Erik Jurgens, hoogleraar staatsrecht, schrijft dat de rechtbank net zo goed rectificatie van twee citaten had kunnen gelasten, zonder het hele interview met Huibregtsen onrechtmatig te verklaren. Dit commentaar begrijp ik niet, want hoe had de rechtbank iets kunnen toewijzen dat niet is gevraagd? Huibregtsen eiste geen rectificatie, maar vroeg en kreeg een declaratoir vonnis om vervolgens een miljoeneneis op tafel te kunnen leggen. Dat noemde ik geldwolverij, omdat er volgens mij geen direct verband mag ontstaan tussen wat iemand financieel 'waard' is en de mate van journalistieke zorgvuldigheid waarop hij aanspraak maakt. De pers hoort jegens iedereen zorgvuldig te zijn.

Om die reden relativeert John Jansen van Galen het vonnis: 'In plaats van nu meteen moord en brand te gaan schreeuwen doet de journalistiek er verstandiger aan over te gaan tot een oefening in zelfkritiek.' Zelfkritiek kan geen kwaad. Ik zal ook niet zeggen dat het een fraai staaltje was dat de Volkskrant in het geval-Huibregtsen ten beste gaf en dat alle journalisten daar nu eens een voorbeeld aan moeten nemen. Maar het ge-tut-tut, mevrouw, overdrijf niet zo, wat een groot woord, persvrijheid, miskent dat de Amsterdamse rechtbank geen enkele aandacht heeft besteed aan het belang van de nieuwsgaring en de daarbij gebruikelijke journalistieke werkwijzen. De persvrijheid omvat 'de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm', en van die vrijheid moet men afblijven.