'JAARRINGEN' WIJZEN UIT: JONGE DINO'S GROEIDEN ALS KOOL

In het algemeen geldt dat een dier sneller volwassen wordt naarmate hij kleiner is. Die regel lijkt echter niet op te gaan voor een van de grootste dieren die ooit heeft geleefd, de Apatosaurus, beter bekend ondere de vroeger vaak gebruikte naam Brontosaurus. Deze dinosauriër, die ongeveer 150 miljoen jaar geleden in Noord-Amerika leefde, kon ongeveer 30 meter groot worden. Er wordt wel verondersteld dat hij enkele honderden jaren oud kon worden.

Hoe lang zou een jonge, net uit het ei gekropen Apatosaurus erover doen om volwassen te worden? Veel paleontologen zijn er altijd van uitgegaan dat het wel een eeuw zou duren voordat een dergelijk dier, met zijn gewicht van tientallen tonnen, zijn volle wasdom zou hebben bereikt. Maar op een bijeenkomst van de Society of Vertebrate Palaeontology werd beargumenteerd dat het mogelijk maar zo'n tien jaar zal hebben geduurd (Science, 23 oktober).

Die nieuwe visie berust op microscopische analyse van botfragmenten van individuen van deze soort die verschillende stadia van groei representeren. Botmateriaal uit de schouderbladen blijkt namelijk regelmatige, concentrische afwisselingen te vertonen in de dichtheid van 'gangetjes' die verondersteld worden samen te hangen met de ligging van aderen tegen het bot aan. Ze lijken precies op soortgelijke structuren die bij bepaalde nog levende diergroepen voorkomen, onder meer bij zeeschildpadden. Daar gaat het om 'jaarringen', en er lijkt geen goede reden om te veronderstellen dat het bij de beenderen van de Apatosaurus anders was.

Het blijkt dat deze dieren vier tot vijf van dergelijke 'jaarringen' vertonen als ze half zo groot zijn als volwassen exemplaren, en dat er bij volwassen dieren 8 tot 11 van dergelijke ringen te vinden zijn. Dat zou er dus op wijzen dat de volledige groei in ongeveer 10 jaar plaatsvond. Op zichzelf is dat niet uitzonderlijk, want het komt neer op een aangroei van botweefsel met 1 cm per circa 100 dagen. Dat is dezelfde groeisnelheid als bij eenden, waarbij echter wel moet worden aangetekend dat de apatosauriërs die groei wel veel langer volhielden.

Tijdens de discussies over deze bevindingen bleek dat er veel redenen geweest kunnen zijn voor zo'n snelle groei: kleine jongen blijven immers erg kwetsbaar in de voortdurende, dichte nabijheid van een 30 ton zware moeder; en onvolgroeide dieren zijn een gemakkelijke prooi voor carnivoren. Een lange 'jeugd' zou er daarom gemakkelijk toe kunnen leiden dat onvoldoende jongen een leeftijd bereiken waarop ze zich kunnen reproduceren. De snelle groei was dus, in deze visie, een noodzakelijke voorwaarde om de soort in stand te kunnen houden. (A.J. van Loon)