Het einde van de betekenis

Jerry A. Fodor : Concepts. Where cognitive science went wrong. Clarendon Press, Oxford 1998 Diego Marconi : Lexical Competence The MIT Press Cambridge (Mass.)

WAT IS DE betekenis van een woord? Met geen kwestie hebben zoveel disciplines zich beziggehouden als met die van de woordbetekenis. Taalkundigen, psychologen, neuro-wetenschappers, filosofen en informatici losjes verenigd onder de paraplu van de cognitieve wetenschappen, ze zijn op z'n tijd allemaal gebiologeerd door de betekenis van woorden.

Raadsels te over. Hoe kunnen we over 'plastic glazen' spreken? Is het geen aspect van de betekenis van 'glas' dat we de voorwerpen die we ermee benoemen, van glas zijn? Betekent 'water' H2O, en betekent het dus iets anders dan vroeger, toen de mensen nog niet van de chemische samenstelling wisten? En waarom hebben juist de gewoonste woorden in het woordenboek zoveel betekenissen? Of het raadsel van de vrouw, die na een hersenbloeding nog perfect wist dat een telefoon 'telefoon' heette, maar verder over telefoons niets meer wist te vertellen. Of dat kind van nog geen twee, dat onder het mes in moeders handen een sinaasappelschil ziet ontstaan en uitroept: 'Olifant!'

Het terrein van de woordbetekenis is een filosofisch mijnenveld. Er is een wijd verbreid idee dat we een definitie in het hoofd hebben van de woorden die we kennen. Omdat we weten dat appels rond, hard, eetbaar en ongeveer zo groot als een vuist zijn en dat ze een schil en een klokhuis hebben, zouden we een onderscheid kunnen maken tussen dingen die we appel noemen en dingen waar het woord niet op past. Sommige mensen verwachten van een woordenboek dat je er zulke definities in kunt vinden.

Maar dit idee verklaart weinig. Slechts weinig mensen kunnen desgevraagd een definitie van een alledaags woord geven. Weet u de definitie van 'rood'? Het verklaart ook niet waarom ieder woordenboek eigen definities geeft.

Aan een gedeelte van deze bezwaren kwam een idee tegemoet dat in de jaren zeventig door de Amerikaanse filosoof Hilary Putnam werd geopperd. Hij bekende dat hij het verschil tussen 'olm' en 'beuk' niet wist. En hij zal de enige niet zijn. Gewone mensen, zo betoogde Putnam, weten eigenlijk niet wat woorden betekenen; daarvoor moet je bij experts zijn. Een chemicus weet beter wat 'water' of 'goud' betekent dan u en ik. Er bestaat een soort 'linguistische arbeidsdeling'. Als gewone mensen het woord 'goud' gebruiken, of 'water', dan gebruiken ze wat ze is overgeleverd. En men weet hoe dat gaat met overleveringen. Dat worden slappe aftreksels. Vandaar dat mensen de betekenis van woorden maar oppervlakkig kennen. Maar ook dit idee, al werd het met veel scherpzinnigheid voorgedragen, is met de nodige scepsis ontvangen. Voor te veel woorden zijn er geen experts. En te veel woorden hadden al een betekenis voordat er experts waren.

Recent verschenen twee boeken die aan de discussie interessante nieuwe wendingen geven. Het ene is van de Italiaanse taalfilosoof Diego Marconi (geboren in 1947), het andere van de Amerikaanse filosoof Jerry Fodor (geboren in 1935), een oude rot die een reputatie van provocator heeft hoog te houden. Fodor betoogt met verve dat we het hele idee van intern gestructureerde woordbetekenissen beter kunnen opgeven. 'Appel' betekent gewoon appel, en daar mee uit. Minder provocerend gezegd, de woordvorm appel is verbonden met een verder niet te analyseren concept 'appel'. Concepten zijn informatieatomen; het zijn de bouwstenen van kennis. Wat we doorgaans betekenis noemen dat is die kennis die we in het algemeen voor waar houden over de dingen in de wereld die we met het woord kunnen benoemen.

Het concept geeft toegang tot die kennisvoorraad. Het woordenboek in onze geest verschaft ons geen betekenissen, maar toegangen tot onze eigen mentale encyclopedie. Dat deze theorie van het 'Informationele Atomisme' ook het einde van de analytische wijsbegeerte inluidt - waar concepten onanalyseerbare atomen zijn, zijn ook geen concepten meer te analyseren - neemt Fodor plagerig op de koop toe. Een en ander zal een belangrijke grond zijn voor de bewering op de achterflap van het boek dat de cognitie-wetenschappen na dit boek nooit meer dezelfde zullen zijn.

Fodors boek is net als dat van Marconi een filosofisch antwoord op een invloedrijke ontdekking van de Amerikaanse psychologe Eleanor Rosch. Zij zijn overigens niet de eersten. Rosch vond in de jaren zeventig een reeks van bewijzen dat mensen woorden associeerden met prototypen. Een woord als meubelstuk is gemakkelijker toepasbaar op een stoel dan op een ijskast. En een typische stoel heeft vier poten en niet een of zes. Als het over voertuigen gaat, denken mensen eerder aan auto's dan aan een lift of een arreslee. Een merel is een echtere vogel, dan een kip of een pinguin. Het idee, dat onze kennis van soorten rond typische voorbeelden is opgebouwd, behoort tegenwoordig tot de harde kern van de cognitie-wetenschappen. Het staat bekend als de prototypetheorie. En het fungeert als een bom onder de gedachte dat woordbetekenissen definities zijn. Woordbetekenissen zijn niet opgebouwd uit mentale representaties van noodzakelijke eigenschappen van de soort dingen die met het woord kunnen worden benoemd. Maar ook niet alleen maar van de prototypische eigenschappen, betoogt Fodor. Want ook een eenpotige stoel is een soort stoel en geen vogel, om maar wat te noemen.

Onze hersenen zitten zo in elkaar dat onze kennis over wat een 'prototypische' stoel is, maakt dat we weten wat 'onechte' stoelen zijn. Ook voor die stoelen is 'stoel' het geschikte woord. En dat is maar goed ook, want alleen zo kan begrepen worden dat het woord zonder mankeren in compositionele verbanden, in zinnen en samenstellingen, kan functioneren. De prototypietheorie heeft voor sommigen de bedreigende consequentie dat woordbetekenissen niet gefixeerd zijn en voor iedereen hetzelfde. Taal wordt nu eenmaal graag als iets 'publieks' gezien. Alle sprekers van een taal hebben dezelfde taal geinternaliseerd. Maar taalkundigen zeggen al langer dat dat geen argument is. Waarom zouden we geen betekenisverschillen tussen sprekers van een taal accepteren? Dat doen we met uitspraak verschillen toch ook. Marconi merkt op dat we in ons taalgebruik zowel actief als passief ook worden geleid door normen. Soms moeten we zoeken naar het goede woord. Het behoort tot onze lexicale competentie te beoordelen of een woord past.

Marconi betoogt nu dat het niet experts zijn die hier een richting wijzen, maar een norm. Normen sturen het taalgebruik. Dat betekent niet dat taalgebruikers de intentie hebben te praten zoals ieder ander dat doet, dat ze betekenissen moeten opzoeken, of dat ze willen corrigeren en gecorrigeerd willen worden, maar het betekent volgens Marconi dat iedereen die taal gebruikt, stilzwijgend aanneemt dat hij of zij spreekt zoals iedereen spreekt. Dat is voldoende voor het effect dat woordbetekenissen tot iets objectiefs lijken te convergeren.

    • Thijs Pollmann