'Geduld is een vies woord'; Zwarte activist van de jaren zestig, nu politicus, John Lewis:

Hij is in de gevangenis gegooid, geschopt, geslagen, en kreeg warme chocolademelk over zich heen: als jonge zwarte activist moest hij bloeden voor zijn acties voor burgerrechten. Zijn ideaal van een raciaal gelijk Amerika is nog altijd niet bereikt. John Lewis is nu een politicus die in Washington compromissen moet sluiten. Onze acties waren een vorm van theater, met ons leven als inzet Tegenover het ongelijk van de blanken stond ons moreel gelijk

Het is een van de bekendste foto's van de Amerikaanse burgerrechtenstrijd in de jaren '60; op de Edmund Pettus-brug in Selma Alabama, heft een state trooper zijn wapenstok tegen een zwarte demonstrant. In een reflex beschermt de betoger met zijn rechterhand zijn hoofd. Overal om hem heen vluchtende mensen, achternagezeten door gehelmde agenten.

“Ik liep voorop, dus is het misschien niet verbazingwekkend dat ik klappen kreeg', zegt John Lewis (58), de man op de foto. Lewis, tegenwoordig senator in het Amerikaanse Congres voor de staat Georgia, was destijds een van de leiders van de protestmars. Over zijn jaren in de burgerrechtenbeweging publiceerde hij deze zomer zijn memoires onder de titel Walking with the Wind.

President Clinton heeft tijdens de zwaarste uren in de Lewinsky-affaire op zijn zwarte vriend Lewis kunnen bouwen. Hij citeerde uit zijn boek tijdens een van zijn publieke boetedoeningen. En tijdens een bijeenkomst van Democratische afgevaardigden, op Capitol Hill, riep Lewis parlementsleden op, de zonden van de president te vergeven. Afgelopen dinsdag werd hij bij de tussentijdse congresverkiezingen herkozen in de Senaat.

Volgens Lewis is het niet vreemd dat juist zwarte Amerikanen Clinton blijven steunen. “Deze president', zegt hij, “heeft zeer veel voor zwarten gedaan. Zo heeft hij meer Afro-Amerikanen in het kabinet benoemd en als rechter aangesteld dan voorgaande presidenten. Nu hij het moeilijk heeft moeten wij laten zien dat we er ook voor hem zijn.'

De mars van Selma naar Montgomery vond plaats op 7 maart 1965. Ondanks z'n jonge leeftijd van 25 jaar genoot Lewis een natuurlijk gezag. Hij was toen al vijf jaar actief in de frontlinies van de strijd om gelijke burgerrechten.

Hij had talloze keren gedemonstreerd, was als freedom-rider in een bus door het diepe zuiden getrokken, had deelgenomen aan sit-ins. In totaal was hij veertig keer gearresteerd. Als veteraan wist hij dus wat hem die dag in Selma kon overkomen.

De veldslag op de Edmund Pettus-brug is de Amerikaanse geschiedenisboeken ingegaan als Bloody Sunday. De beelden ervan schokten de natie en waren voor president Lyndon Johnson mede aanleiding om bij het Congres wetsvoorstellen in te dienen, die zwarten uit het zuiden eindelijk in staat zouden stellen van hun stemrecht gebruik te maken. “De werkelijke held van deze strijd', zei Johnson tegen de parlementsleden “is de neger. Zijn actie en protest, zijn moed om zijn veiligheid en zelfs zijn leven op het spel te zetten, hebben een beroep gedaan op het geweten van dit land.' Enkele maanden later werd de Voting Rights Act aangenomen. Zwarte Amerikanen konden voortaan op bescherming van de federale overheid rekenen bij het uitoefenen van hun stemrecht.

Walking with the Wind is een opmerkelijk boek. Geschiedenissen en ooggetuigenverslagen over de burgerrechtenstrijd zijn er in overvloed maar Lewis heeft als een van de eersten het lef om rekeningen van toen te vereffenen. Zijn kritiek komt er op neer dat veel prominente activisten vooral bezig waren zichzelf te profileren. In zijn werkkamer, schuin tegenover Capitol Hill in Washington, zegt hij: “Begin jaren '60 waren we een grote familie. Een gemeenschap van broeders. Later, in het midden van het decennium, ontstond er een prestigestrijd, een strijd tussen ego's. Eind jaren '60 was er van de beweging niet veel meer over. Het ging er toen om je eigen rol zoveel mogelijk te benadrukken.

Mensen die tijdens de marsen nooit voorop hadden gelopen, stonden toen vooraan in de rij.'

Lewis was drie jaar lang, van 1963 tot en met 1966 voorzitter van het Student Non-Violent Coordinating Committee (het SNCC spreek uit SNIK).Een kleine burgerrechtenbeweging die opereerde in de schaduw van de oudste organisatie van Amerika, de National Association for the Advancement of Colored People onder leiding van Roy Wilkins, en de Southern Christian Leadership Association van Martin Luther King. De SNCC bestond uit radicale jongeren die zich van andere groepen onderscheidden door hun roekeloos en uiterst provocerend gedrag. Zij waren het die met sit-ins en bustochten door het diepe zuiden de confrontatie aangingen met blanke segregationisten.

In Walking with the Wind schrijft Lewis dat hij niet kon wedijveren met retorisch begaafde en telegenieke persoonlijkheden als Martin Luther King, Malcolm X, Jesse Jackson en Stokely Carmichael. Hij noemt zichzelf 'niet knap, niet opvallend, niet bepaald wat je noemt elegant. Ik ben klein en gedrongen'. Hij beschikte wel over andere eigenschappen die hem in staat stelden een prominente rol te spelen in de burgerrechtenbeweging: organisatorisch talent,persoonlijke moed, wilskracht en uithoudingsvermogen. Karaktertrekken die hem ook sindsdien van pas zijn gekomen: als een van de weinige activisten van weleer is hij erin geslaagd de stap naar de politiek te maken. Hij geldt nu als een van de belangrijkste zwarte leiders van Amerika.

U was als 23-jarige de jongste spreker tijdens de beroemde 'Mars naar Washington' van 1963. Uw organisatie - SNCC - genoot nauwelijks aanzien. Hoe was uw verhouding met erkende zwarte leiders van toen?

“Wij van SNCC waren een generatie jonger dan de rest, en dat werd ons voortdurend ingewreven. Niet zozeer door dr. King, maar wel door de anderen, met name door Wilkins van de NAACP. Hij vond ons te onervaren,te onstuimig en wilde ons er eigenlijk niet bij hebben. Hij hield ons voor dat we niet het juiste respect toonden voor het blanke gezag. Hij was arrogant en neerbuigend, maar ik prikte daar zo doorheen. Niet hij, vond en vind ik, maar wij waren de oorzaak dat politici werden gedwongen een massademonstratie in Washington toe te staan. Wij hadden oorlog gevoerd in het diepe zuiden, wij hadden gevangen gezeten, waren geschopt, geslagen, bespuugd, hadden warme chocolademelk koffie en ketchup over ons heengegoten gekregen tijdens de sit-ins. En we hadden ons daardoor niet laten afschrikken. Ik was misschien nog jong maar had al meer meegemaakt dan Wilkins, die z'n hele leven al o zo respectabel zat te zijn op kantoor. Wij hadden de achterstelling van zwarten tot een urgent probleem gemaakt. Voor ons was geduld een vies woord, zoals ik in m'n speech in Washington wilde zeggen. Daar schrok iedereen zich wezenloos van.'

U zei net dat u tijdens sit-ins was geschopt en geslagen. U bracht daarnaast veel nachten in de gevangenis door, overgeleverd aan racistische sheriffs. Was u nooit bang?

“Nadat ik voor het eerst was gearresteerd, in Nashville in 1960, was de angst verdwenen. In de gevangenis voelde ik me uitgelaten en bevrijd. Het leek of ik werd opgezogen door de krachten van de geschiedenis. John Lewis, zoon van katoenplukkers, had zijn verleden van zich afgeschud. Ik had een nieuwe familie gevonden: de beweging. Vijf jaar later begon die familie uit elkaar te vallen.

En niet alleen omdat sommigen hun eigen toekomst belangrijker bleken te vinden dan die van de beweging. Ook de opkomst van black power had daarmee te maken, van zwart separatisme.'

De opkomst daarvan was ook de reden dat u in 1966 tot aftreden werd gedwongen als voorzitter van SNCC?

“Wij waren opgeleid tot het plegen van geweldloos verzet. Onze acties waren een vorm van theater met ons leven als inzet. Maar deze theatrale agressie richtten we nadrukkelijk niet tegen de individuen die ons sloegen en gevangen namen. We wilden het systeem veranderen. En daar zijn we in geslaagd. Er kwam wetgeving die het Afro-Amerikanen eindelijk mogelijk maakte van hun stemrecht gebruik te maken. Maar er werden nadien ook nog zwarten vermoord door blanke racisten. Steeds meer mensen in het SNCC zeiden dat stemrecht op zich niet veel betekende als je nog steeds vogelvrij was. Een harde kern radicaliseerde. Mensen als mijn opvolger Stokely Carmichael predikten ineens de gewelddadige revolutie. Ik kon hem en zijn geestverwanten niet volgen. Mijn ideaal was in 1960 dat van de beloved community, een vreedzame en geintegreerde samenleving. SNCC radicaliseerde; ik hield vast aan m'n oude idealen.'

U streed in 1960 tegen het systeem, en wist dat met uw acties deels op de knieen te krijgen. Nu bent u politicus. In uw district bevindt zich ook het getto van Atlanta. Hoe staat het met de burgerrechten van de onderklasse?

“De mensen uit de sloppenwijken die ik vertegenwoordig hebben al burgerrechten: ze kunnen stemmen. Het probleem is alleen: ze doen het niet. En een nog groter probleem: ze zijn arm en apathisch. Ze hebben geen trots, geen waardigheid. Daarbij vergeleken hadden wij het makkelijk.

Onze strijd was zwart-wit: tegenover het ongelijk van de blanken stond ons moreel gelijk. We hoefden alleen maar de juiste methode te vinden om die tegenstelling zo scherp mogelijk te stellen om die vervolgens met maximaal effect uit te buiten. Daarom zochten we de confrontatie. Daarom kozen we voor drama. Daarom was er altijd veel pers bij aanwezig. Als ik nu het getto bezoek is het eerste dat in het oog springt: de situatie leent zich niet voor drama. De ellende van de sloppenwijken stoot af en maakt iedereen futloos. Gettobewoners hebben het gelijk niet aan hun kant. Hun armoede heeft niets edels.'

Hoe probeert u hun leven dan te veranderen? Of heeft u de hoop opgegeven?

“Ik probeer ze bij te brengen dat hun situatie moreel onhoudbaar is. Ik probeer ze verantwoordelijkheidsgevoel bij te brengen. In een opzicht is de methode die ik in het getto gebruik dezelfde als die van bijna veertig jaar geleden. Ik zeg ze dat ze te apathisch zijn, dat ze van zich moeten laten horen, dat ze te veel geduld hebben. Toen reageerden zwarte jongens enthousiast, nu, in het getto, is er vaak alleen stilte.

“Ik heb de hoop op verandering niet opgegeven in de zin dat ik nog steeds idealen heb, nog steeds geloof in een raciaal geintegreerd Amerika. Maar ik ben geen activist meer, maar politicus. Dat is een groot verschil. Ik moet dagelijks compromissen sluiten. Mijn district - Atlanta in Georgia - bestaat niet alleen uit sloppenwijken. Ook vermogende blanken, mensen als Ted Turner van CNN en zijn vrouw Jane Fonda, of de top van Coca Cola dat zijn hoofdkantoor in Atlanta heeft, behoren ertoe.'

De jaren '60 was een periode van groot idealisme, van bloeiende burgerrechtenbewegingen en mensen die - soms letterlijk - hun leven in de waagschaal stelden voor hun overtuigingen.

Die geesteshouding is totaal verdwenen?

“Er is nog wel idealisme. Duizenden mensen zetten zich in voor hun gemeenschap, doen vrijwilligerswerk. Maar dat speelt zich vooral af op lokaal niveau. In de landelijke politiek en bij burgerrechtenbewegingen is er vooral een schrijnend gebrek aan charismatische leiders. Die waren er in de jaren '60 in overvloed en nu in het geheel niet meer. Doordat er geen inspirerende mannen als Martin Luther King en Robert Kennedy meer zijn kunnen jongeren hun idealen ook nergens meer op richten.'