Eten van twee walletjes

Pensioenfondsen, levensverzekeraars, werkgevers en andere (pensioen)instellingen krijgen van lezers het verwijt ondoorzichtig ingewikkeld en hebzuchtig te opereren. Een analyse leert dat die verwijten bijna altijd draaien om belastingen: de fiscus wil zijn wettelijk deel en de genoemde instellingen moeten daarbij helpen.

Een lezer uit Poeldijk is deelnemer in het ABP, een pensioenfonds voor (semi)overheidspersoneel. Hij profiteert van de voordelen die zo'n collectieve regeling biedt (onder meer solidariteit), maar wil desondanks zijn betaalde premies en beleggingsopbrengsten individueel (los van andere deelnemers) toerekenen, na aftrek van de pensioenuitkeringen. Na zijn overlijden blijft er wellicht een deel van zijn persoonlijke pensioenreserve over, die aan zijn partner behoort toe te vallen. Hij eet graag van twee walletjes.

Een pensioenregeling biedt die tweeslachtigheid niet. Het is een in de wet voorgeschreven contract tussen de werkgever en de werknemers, en vormt een belangrijk onderdeel van de arbeidsvoorwaarden. De regeling kan zijn ondergebracht in een eigen pensioenfonds, in een fonds voor een hele 'bedrijfstak' (gezondheidszorg metaal, bouw, bibliotheken, overheid), of bij een levensverzekeraar.

De financiele opzet zit globaal zo in elkaar: aan uitgaven de uitkeringen en kosten, aan inkomsten de premies en beleggingsopbrengsten, en geen afdracht van vennootschapsbelasting of inhouding van winst. Het fonds verplicht zich met name tot het verrichten van levenslange ouderdoms- en partnerpensioenen, en tijdelijke wezenpensioenen.

De uitkeringen betaalt het fonds uit een grote pot, genaamd de pensioenreserve. Die reserve wordt aangevuld met premies, afhankelijk van de deelnemerssalarissen, en opbrengsten uit de belegde reserves. Per deelnemer is er nooit, behoudens in speciale regelingen, een direct verband tussen de totaal betaalde pensioenen en ontvangen premies. De solidariteit tussen de deelnemers en de eventueel hoger dan verwachte opbrengsten strijken de verschillen glad.

De lezer kan daarom geen aanspraak maken op een eigen pensioenpotje.

Een mevrouw uit Nieuwegein werkte ooit negen jaar in deeltijd voor een gemeente en viel buiten de pensioenregeling. Die vorm van discriminatie heeft hetzelfde ABP nu goedgemaakt door een bescheiden extra ouderdomspensioen toe te zeggen. Is het fiscaal aantrekkelijk om dit accepteren, vraagt ze.

Het fiscale aspect valt niet te beoordelen aan de hand van de verstrekte summiere gegevens. Wat is er tegen een levenslange extra uitkering? Die van het ABP is bovendien welvaartsvast. Dat wil zeggen: als de salarissen bij overheid en onderwijs stijgen, dan gaat een pensioen ook omhoog.

Een derde briefschrijver wordt binnenkort ontslagen. Zijn werkgever betaalt hem via een verzekeraar zes jaarsalarissen. Die verzekeraar betaalt hem zes jaar lang salaris, zodanig dat de totale gouden handdruk plus gekweekte rente aan het eind van de rit op is. Een tijdelijke lijfrente derhalve.

'Ik beschouw dit bedrag als mijn eigendom. Bij mijn overlijden dient het resterende bedrag uitbetaald te worden aan mijn partner of erfgenamen, maar uit de offerte van de maatschappij blijkt dat deze dit bedrag inpikt. Ik kan wel een contraverzekering (overlijdensverzekering) sluiten, maar dat heeft niets met de lijfrente te maken. Bovendien betaal je er een hoge premie voor.' Deze lezer verbaast zich er erover dat de verzekeraar die het geld (zijn geld) mag beheren, het als haar eigendom beschouwt, zonder enig risico te lopen.

Ook in dit geval bepaalt de fiscus de spelregels. De handdruk is immers de som van zes jaar vooruitbetaalde salarissen en daarover moet inkomstenbelasting betaald worden volgens het bijzondere tarief van 45 procent, over het deel dat verband houdt met de dienstbetrekking.

Daarmee is de ex-werknemer verlost van de fiscus en eigenaar van het restant. Na zijn overlijden kunnen de nabestaanden er gewoon over beschikken.

Indien de ontvanger kiest voor periodieke uitkeringen en daarover uitgesteld belasting betaalt, mag dat. Bijvoorbeeld via een verzekeraar. De ex-werkgever betaalt een koopsom aan de verzekeraar, die in ruil daarvoor de uitkeringen doet, na inhouding van belasting en premies. De verzekerde profiteert van de sterftewinst: hij krijgt een deel van de koopsommen van overleden verzekerden.

HIJ mag kiezen: of eigenaar van de (uitgeklede) gouden handruk na betaling van alle belasting ineens of uitgestelde betaling via een derde partij maar wel met het recht op uitkering. Hij mag niet eten van twee walletjes.

De verzekeraar loopt wel degelijk (lichte) risico's. Bijvoorbeeld deze. Er overlijden minder verzekerden dan voorzien, de renteopbrengsten vallen tegen (een actueel punt) en de administratiekosten vallen hoger uit.