Een schreeuw van vrede; De herinnering aan de Groote Oorlog in Belgie

Volgende week wordt in Belgie het einde van de Eerste Wereld- oorlog herdacht, die tachtig jaar geleden diepe sporen trok in de Vlaamse Westhoek. Nu nog liggen er 170 begraafplaatsen, alleen al rond Ieper. Maar met het uitsterven van de oorlogsgeneratie, vervaagt het verleden. 'Als je blijft herinneren, blijft het oorlog.'

Als je goed kijkt, zie je rond Ieper twee landschappen. In de wei grazen koeien rond plotselinge meertjes: bomkraters. De zwaarste explosies waren tot in Londen te horen. Weilanden zijn afgezet met varkensstaarten: roestige staven met aan de onderkant een soort kurkentrekker die 's nachts stil in de grond kon worden gedraaid om prikkeldraadversperringen aan te brengen. Her en der staan bunkers en kapelletjes voor 'onze lieve vrouw van vrede'. Nog steeds wordt in de velden onontplofte munitie gevonden en lijken van de 220.000 vermiste soldaten. Soms botsen de twee landschappen. Bijvoorbeeld op die plek langs de frontlijn waar tachtig jaar geleden soldaten vreesden voor sluipschutters en waar nu een golfcourse is afgezet met borden 'gevaarlijk golfballen'.

De meest recente toevoeging aan het gepokte landschap van de Vlaamse Westhoek is een merkwaardige, ronde toren met puntdakje, even buiten het stadje Mesen. Op de plek waar het Britse leger in 1917 een belangrijke slag won van de Duitsers, is de afgelopen maanden deze vredestoren gebouwd. Protestantse en katholieke Ieren willen ermee tonen dat ook zij zich hebben verzoend met de oorlog die lang werd beschouwd als collaboratie met de Engelsen. Woensdag wordt het monument onthuld door de Ierse president en de Britse koningin - op wapenstilstandsdag, precies tachtig jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog.

In deze zuidwestelijke hoek van Belgie liep in november 1914 de oorlog vast. Het Belgische leger had zich teruggetrokken op het zompige land achter de IJzer, van Nieuwpoort tot tien kilometer boven Ieper. Dit was het meest ongezonde front van het Westen, duizenden soldaten stierven aan tyfus en longontsteking.

Maar aan het IJzerfront was het nog rustig vergeleken bij het slagveld rond het meer zuidelijke Ieper, waar vooral Britse en Franse soldaten vier jaar lang een moordend loopgravengevecht uitvochten met de Duitsers. Iedere meter grondwinst werd er met duizenden levens bekocht en vaak gauw weer verloren. Hier werden ook nieuwe wapens ingezet als gifgas - eerst chloorgas en later mosterdgas, dat yperiet werd genoemd, naar Ieper.

Van de negen miljoen doden die in de Eerste Wereldoorlog vielen, stierf een half miljoen rond Ieper.

Stinkende modder

Traag trekken Battlefield-touringcars door de velden. Nooit en nergens ter wereld sneuvelden meer Britten per vierkante meter dan rond Ieper, 'wipers' genoemd door de soldaten. Wat de 'hel van Verdun' was voor de Fransen was Ieper voor de Britten. De fronttoeristen logeren nu in een 'bed and breakfast' en bezoeken kleine musea met tussen het oorlogsschroot rode kauwgombalautomaten en cafes waar Tommy-cake wordt geserveerd.

En natuurlijk gaan ze naar de militaire begraafplaatsen. Het zijn vooral deze kerkhoven die de herinnering aan de oorlog gevangen houden in het landschap rond Ieper. Verspreid in de velden liggen er ruim 170, vooral Britse, begraafplaatsen met namen als Lone Tree en Tyne Cot Cemetry. In een nis bij de ingang ligt een gastenboek met meestal Engelse opmerkingen. 'Goed onderhouden' of 'nooit meer oorlog'. Kinderhanden hebben 'erg!!' geschreven en 'mag niet meer!!' Een Nederlander vond het 'indrukwekkend'.

Sommige begraafplaatsen zijn lieflijk, zoals Hooge Crater, op een glooiende helling aangelegd door landschapsarchitect Edwin Lutyens. Maar kerkhoven als Tyne Cot, met 12.000 graven de grootste Britse begraafplaats uit de Great War, zijn beklemmend.

De eindeloze rijen grafzerken onderstrepen het grootschalige van de oorlog, die begon als een picknick en ontaardde in een geindustrialiseerde veldslag. Aanvankelijk werden officieren nog van gewone soldaten gescheiden begraven, later gaf men dit op - ze waren met te veel.

Het is alsof de kerkhoven, soms drie kleinere naast elkaar, hier altijd hebben gelegen. Terwijl in de velden er naast bieten worden gerooid, wordt duidelijk waarom ze niet anders dan dodenakker kunnen heten.

Aan het begin van de oorlog stonden de Ieperlingen nog nieuwsgierig toe te kijken op de stadswal, maar al snel vielen de eerste brandbommen op hun middeleeuwse stad die uiteindelijk met de grond gelijk werd gemaakt. Ook het gebied rond Ieper veranderde in een maanlandschap.

Onmiddellijk na de oorlog werden Belgische schoolreizen georganiseerd naar deze 'Verwoeste Gewesten'. En nog altijd komen er schoolklassen, nu vooral uit Groot-Brittannie. Op de Ieperse Grote Markt, na de oorlog als een middeleeuwse replica wederopgebouwd stromen voortdurend Britse bussen leeg. “Anyone know where we're going' roept een jongen naar zijn klasgenootjes die op frituur 't Kattekwaad afstevenen.

Het landschap zelf heeft zich inmiddels hersteld. Tussen de velden staan weer rijen populieren. Ook de Kemmelberg, die volledig kaalgeschoten was, is weer bebost. De loopgraven zijn kort na de oorlog al dichtgegooid. Slechts hier en daar zijn ze door verzakkingen weer in het grasland zichtbaar. Of ze worden kunstmatig in ere gehouden, zoals bij het morsige cafe Sanctuary Wood Hill 62, waar je tegen betaling 200 meter loopgraaf kunt bezoeken.

In de kronkelige loopgraaf is een klas Engelse schoolkinderen verdwenen.

Met hun laarzen schuifelend in de stinkende modder luisteren ze naar uitleg over de tactiek van hun overgrootouders. Om daarna joelend door de herfstbladeren in de loopgraaf te rennen. Ze zijn zo'n zes jaar ouder dan Jeanne Battheu was toen de oorlog begon.

In haar woning in Poperinge, de eerste stad achter het front, vertelt de 88-jarige vrouw over de 'Eerste Oorlog' alsof het gisteren was. Ze schenkt “een echte Engelse kop of thee' en spreekt ook vloeiend Engels. “Van de soldaten geleerd.' Anders dan de meeste kinderen achter het front, werd ze niet naar een Belgische schoolkolonie in Frankrijk of Zwitserland gestuurd. “Mijn moeder had onze koffers al gepakt, maar vader wilde niet dat we gingen.' Vaak moesten ze 's nachts de velden in vluchten. “Bijna iedere nacht waren er bommen. Ik zeg altijd: I have never been a child. Nooit, nooit waren we gerust.' Tijdens de oorlog stierf haar twee jaar jongere zusje. “Ze lag in haar bedje langs voor. Papa, die fotograaf was, werkte in zijn donkere kamer. Opeens hoorde hij een vliegmachien en hij riep: mama, haal de kleine uit dat bedje. Datzelfde moment lieten ze bommen vallen. Mama zei: rap Rachel op je voetjes. Maar ze zei: mama, ik kan niet meer staan. Dat heeft twee jaar en een half jaar geduurd. Toen ze stierf, vijf jaar oud, was ze grijs en blind. Het was de schok.

“En dan de gas, het gas, het gas. We waren met vier kinderen buiten aan het spelen. Opeens komen er vijf wagens met soldaten die gegrepen waren door het gas. Het was iets verschrikkelijks. Fransen en Engelsen die bezig waren hun kleren af te rukken. De Engelsen kwamen met emmers melk en wij kinderen moesten naar iedere soldaat gaan met een kopje melk, om te verzachten.

Bijna de helft stierf daar.' Na de eerste grote gasaanval kregen alle inwoners van Poperinge gasmaskers. “Als wij buiten speelden, zeiden de soldaten: Where is your mask? Child, go in and put on your mask.'

Ze toont foto's die haar vader maakte van de soldaten, om naar huis te sturen. Jonge mannen, verkleed als vrouw of Pierrot. Poperinge, door de Britten 'Pop' genoemd, kende een bruisend uitgaansleven. Hier kwamen de frontsoldaten even tot rust. “In 1916 hebben we Sinterklaas gevierd met de soldaten. Ze hadden appels in marmelade gedoopt, die ze verstopten in de tuin. De soldaten gaven ons ook kaas en toffees, zo veel dat we het niet konden dragen.'

Op de markt staat een eenzame soldaat, met opschrift 'Aan onze helden 1914-1918'. Later is er bij gezet 'en 1940-1945'. Poperinge bood niet alleen vertier, de Britse krijgsraad sprak er ook de doodstraf uit voor deserteurs. Op de binnenplaats van het stadhuis werden ze gefusilleerd. “Shot at dawn, altijd rond vieren 's morgens', zegt Jeanne Battheu.

Op de binnenplaats van het stadhuis staat nu weer de executiepaal, die jarenlang op een zolder heeft gelegen. De 25-jarige Nicolas Vernoye leidt er zo'n drie keer per dag bezoekers rond. “Dan gaat het gevoel dat hier mensen stierven wel weg.' Hij heeft sowieso niet veel met de oorlog. Op school ontdekte hij pas dat de Eerste Wereldoorlog in dit gebied werd uitgevochten, toen hij op foto's in schoolboeken zijn woonplaats herkende.

Zijn rondleiding voert ook langs de dodencellen waar soldaten hun executie afwachtten. Hij klopt op de tekeningen die tachtig jaar geleden in de muren werden gekrast en reageert verbaasd op de vraag of de muren niet beter worden afgeschermd van nieuwsgierige handen.

“Dit hoeft toch niet altijd te blijven bestaan', vindt hij. “Als je blijft herinneren, blijft het oorlog.'

Martelaarssteden

Met de laatste overlevenden vervaagt in Belgie de herinnering aan de Groote Oorlog. “Doek de begraafplaatsen op en de oorlog zou helemaal voorbij zijn', zegt Piet Chielens, coordinator van het In Flanders Fields Museum in de Ieperse Lakenhallen. Dit museum, in april geopend door de Britse minister van Buitenlandse Zaken, verhaalt over de oorlog op een directe manier die vooral jongeren moet aanspreken. Het gaat niet over de politiek of de krijgstactiek, maar over het leven van de gewone soldaat en de burgers. In het museum wordt de verwarring van toen gewekt, doordat om het kwartier plotseling een geluid door de ruimte dendert. Een vliegtuig dat laag overvliegt of een bom die inslaat. “We sturen de emotie een beetje', erkent Chielens. “Dat moet kunnen, als het nuttig is.'

Het idee voor dit museum kwam van de burgemeester van Ieper die op een bijeenkomst met collega's uit andere martelaarssteden enigszins beschaamd merkte dat zijn stad bekend is van Hiroshima tot Sarajevo. Hij besloot dat Ieper meer moest doen om de herinnering aan de oorlog levend te houden. De opdracht voor de inrichting van het museum ging naar Chielens, die al van jongs af geintrigeerd is door de oorlog. Hij groeide op in Reningelst, tussen Ieper en Poperinge, waar hij dagelijks langs een Britse begraafplaats liep. “Ik vroeg me af waarom mensen vanuit de Bermuda's en China waren gekomen om hier te sterven. Nooit kreeg ik een antwoord. Mijn meester kwam niet verder dan heldhaftige verhalen over het onder water zetten van de IJzervlakte. Daarom ben ik zelf gaan lezen over de oorlog.'

Het museum vertaalt de nu in Belgie gangbare interpretatie dat de Eerste Wereldoorlog alleen verliezers kende. Vlak na de oorlog werd ze nog gezien als een heldhaftige onderneming. 'Belgie was tot de 3en augustus 1914 de tuin der Europese beschaving: heden is het daarvan niet meer dan het kerkhof. Waarom? Omdat het trouw was aan zijn plicht', schrijft een schoolboek uit 1924. In de jaren zeventig werd de oorlog gezien als een overwinning van de democratie, nu wordt ze volgens Chielens beschouwd als “anoniem monster dat kinderen vreet'. Hij is daarom niet gelukkig met de naam In Flanders Fields, de titel van een bekend gedicht van de Canadese dokter en militair John McCrae, die in de derde strofe oproept de strijd met de vijand voort te zetten. “Van het museum moet juist een schreeuw van vrede uitgaan.'

Het meest gewaagde deel van het ongewone oorlogsmuseum is de nabootsing van een stormloop op een vijandelijke loopgraaf. In een donkere ruimte worden op twee schermen nagespeelde zwart-wit films getoond van soldaten die rennen en struikelen door de blubber. Het vertrek is gevuld met geluiden: schoten, flarden muziek, kreten als 'why me, why us'. Een groepje tieners zit op de grond en bekijkt schijnbaar onbewogen de films. Plots toch opgewonden stoot een jongen zijn vriendje aan: “Kijk een lijk.' Twee meisjes die de zaal verlaten vinden de beelden “wel aangrijpend'. Toch zijn het “maar beelden'. “Voor mensen die het hebben meegemaakt, zal het wel interessant zijn', vermoedt Stephanie (17).

Vergeten

In Flanders Fields heeft het afgelopen half jaar 120.000 bezoekers getrokken: twee keer zo veel als het vorige, traditionele oorlogsmuseum in een jaar tijd.

Nederlanders vormen de sterkst groeiende groep. “Nederland is bezig met een inhaalbeweging', vermoedt Chielens. “De algemene vraag hoe het mogelijk is dat een hele generatie over de kling werd gejaagd spreekt hen aan.'

Terwijl de Tweede Wereldoorlog nog iets heroisch heeft is de Eerste Wereldoorlog vooral triest, vindt inderdaad Herman Wijnhoven uit Groesbeek (bij Nijmegen). Dertien begraafplaatsen rond Ieper heeft hij vandaag met zijn schoonvader bezocht. “Vorig jaar waren we in Verdun, nu zijn we hier.'

Slechts tien procent van de bezoekers aan het museum is Franstalig. “Fransen hebben hun eigen oorlogsmuseum in Peronne en ze hebben Verdun', verklaart Chielens. Britten vormen 40 procent van de bezoekers. “Het was dan ook hun oorlog', zegt de 71-jarige Raoul van Caenegem, hoogleraar geschiedenis en zoon van een oorlogsweduwe. “Het was de oorlog die het Brits imperium voerde en won. Belgie onderging ze.'

De Eerste Wereldoorlog betekende voor Belgen rampzalige jaren, die een einde maakten aan hun voorspoed en die ze het liefst zo snel mogelijk vergaten. Nog altijd is in Belgie 11 november een officiele feestdag. “Maar een Belg zal niet geestdriftig zeggen: we moeten de wapenstilstand herdenken.'

Zelfs de jaarlijkse IJzerbedevaart in Diksmuide, ontstaan als herdenking aan de Vlaamse soldaten die sneuvelden aan het IJzerfront, heeft inmiddels in de volksvoorstelling weinig te maken met de Groote Oorlog en alles met Vlaamse eisen. Aan het front groeide in '14-'18 de Vlaamse bewustwording onder meer doordat Frans de voertaal was in het leger dat voor het merendeel uit Vlamingen bestond. Tot dan was de Vlaamse ontvoogdingsstrijd vooral een zaak voor intellectuelen, maar in de oorlog werden alle sociale klassen er bij betrokken.

Nog ieder jaar in augustus worden op de IJzerweide de drie eisen van toen gesteld: zelfbestuur, nooit meer oorlog en godsvrede. Maar met nadruk op de eerste.

Toch zal in Ieper de herinnering aan de Groote Oorlog blijven leven, zo lang er de Last Post wordt geblazen. Iedere avond om acht uur, door vrijwilligers van de brandweer. Sinds 1928 hebben ze geen dag overgeslagen, met uitzondering dan van de Tweede Wereldoorlog.

Onder de witmarmeren Menenpoort een Brits monument met namen van bijna 55.000 vermiste soldaten, legt de politie even het verkeer stil. Een tiental Nederlandse officieren-in-opleiding brengt er een militair eerbetoon. “In het kader van ons lesprogramma', verklaart een van hen. Maar de eenvoudige plechtigheid lijkt veel meer bedoeld voor die twee Britse Tweede Wereldoorlogveteranen, getooid met medailles en baret, stram in de houding. “We zullen hen onthouden', prevelen ze als een klaprooskrans wordt gelegd onder de namen van vermisten uit die andere oorlog. “Marvellous dat ze dit nog doen', fluistert de langste van de twee.