De barnsteenjutters; Anarchie in Kaliningrad

Smokkel, diefstal, afpersing. Jatarni, op de uiterste westpunt van Rusland, is de privatisering van het Barnsteen Kombinaat nooit meer te boven gekomen. Het is ieder voor zich, bovenop 's werelds grootste voorraad van het kostbare barnsteen. 'Die waardeloze vrijheid, wat koop je er voor?' Hoe kunnen 2.500 mensen nou tegelijk de baas zijn? Het is toch treurig dat we allemaal dieven zijn geworden?

Zoja heeft twee stemmen, een zangerige en een riedel. Als gids in het barnsteenmuseum draait ze op het vingerknippen van de directeur haar standaardverhaal af. Met haar strenge aanwijsstok tikt ze op een honingkleurig portret van V.I. Lenin. “Daar is 4,2 kilo barnsteen in verwerkt.' Gehuld in een wollen omslagdoek, haar grijze haren in een wrong op haar hoofd, schuifelt ze van vitrine naar vitrine. “Van de grote brokken maken we sieraden, amuletten, figuurtjes. Het slijpsel smelten we om tot vloerlak.'

Vloerlak? Maar het parket waarop zij staat is verweerd en versleten. Niet bepaald reclame voor een fabrikant van barnsteenhoudende lak. “Vroeger maakten we lak', zegt Zoja, “vijf jaar geleden.' Ze zuigt haar longen vol en schakelt over op haar eigen stem: “Waarom denkt u dat het hier zo koud is? De verwarming is afgesloten - we zijn failliet.'

Maar als dat zo is, wat doet zij hier dan nog? In een vervallen museum de schijn op houden dat in deze fabriek zestig miljoen jaar oude, fossiele hars wordt bewerkt?

Zoja kan niet kiezen tussen een lach of een traan. Ze vertelt dat ze slijpster was, ongehuwd want een man in huis vond ze maar zorg. Maar op haar 55ste hebben de zorgen haar toch te pakken gekregen. De slijpafdeling met haar zachtsnorrende tollen en boortjes is vrijwel opgedoekt. Van de 430 slijpers zijn er 403 ontslagen. “Het museum mag dan koud zijn, het is hier altijd nog beter dan op straat', zegt ze, wijzend op het raam en de bomen die zwiepen in de wind. “Mij krijgen ze hier zo een-twee-drie niet weg; ik werk hier al 25 jaar.'

Maar wat als ze geen salaris meer krijgt, blijft ze dan ook komen? Zoja proeft het woord salaris op haar lippen en tovert een plastic zakje met een afsluitstrip tevoorschijn.

Er rollen drie beertjes uit, honingdropjes lijken het. Vot maja zarplata. Kijk: mijn salaris. Elke maand mag ze in de fabriekswinkel iets uitzoeken voor 300 roebel, ofwel vier tientjes. In oktober koos Zoja beertjes. Maar om te kunnen eten moet ze die eerst zien te verkopen, en dat is moeilijk omdat iedereen in beertjes of hondjes krijgt uitbetaald. Onmogelijk bijna. Dus beschouwt ze haar beertjes maar als surrogaathuisdieren. “Gelukkig hoeven jullie geen eten, he', zegt ze bitter.

Oorlogstrofee

“Wij zijn niet failliet', zegt directeur Nikolaj Petoechov van het Barnsteen Kombinaat. “De kranten overdrijven. Ja, de stadsverwarming heeft ons afgesloten en er is beslag gelegd op een paar bestelbusjes.'

En op het meubilair?

“En op het meubilair. Meer niet.'

Gezeten op een nog niet geconfisqueerde kantinestoel vertelt Petoechov over het bizarre verleden van de barnsteenmijn annex barnsteenfabriek. Hij is er trots op dat tachtig procent van de wereldbarnsteenvoorraad “hier onder onze voeten ligt'. Hier, dat is het meest westelijke puntje Rusland, de enclave Kaliningrad, het vroegere Oost-Pruisen dat in 1945 door het Rode Leger was bevrijd en in 1946 op de Potsdam-conferentie als territoriale aanwinst aan de Russen was toegewezen. De 15.000 vierkante kilometer rond het verwoeste stadje Koningsbergen bleek niet alleen qua ligging - als Russisch bruggenhoofd aan de Oostzee, ingeklemd tussen Polen en Litouwen - van strategisch belang, ook de barnsteen in de bodem was een waardevolle oorlogstrofee.

Al in de dertiende eeuw riepen de toen heersende Teutoonse ridders een monopolie uit op de handel in amber. Wie een brok van het versteende pijnboomhars had gevonden of gedolven was verplicht die bij het gezag in te leveren.

In 1716 schonk de Pruisische koning Frederik I peperdure panelen van barnsteen aan tsaar Peter de Grote, die er in het buitenverblijf bij St. Petersburg de Barnstenen Kamer ('het achtste wereldwonder') mee inrichtte. Hitlers troepen haalden de mozaieken terug naar Koningsbergen, waar zij voor het laatst in 1945 zijn gezien, vlak voordat de stad in handen van de Sovjet-Unie viel. De queeste naar deze verloren kunstschat duurt nog altijd voort (er zijn tientallen boeken over geschreven) en begint dezelfde mythische proporties te krijgen als die naar Noachs Ark.

Maar directeur Petoechov is geen schatgraver, hij is mijningenieur. In 1947 had het Centraal Comite besloten om de barnsteenindustrie nieuw leven in te blazen. Met een antieke, door de Duitsers achtergelaten graafmachine werd de dagbouwmijn opnieuw in gebruik genomen. “De jaaropbrengst paste in een paar koffers', zegt Petoechov, die vanaf zijn zeventiende de machinerie mocht bedienen. Dat was in 1956, drie jaar na de dood van Stalin, toen de vrouwen weer sieraden durfden te dragen. Tot die tijd produceerde het Kombinaat knopen, sigarettenmondstukken, nuttige voorwerpen. Want voor Stalin was amber weliswaar een oorlogstrofee, maar het mocht geen bourgeoisneigingen wakker maken.

Onbezonnen perestrojka

Onder Chroesjtsjov trok de vraag aan en de fabriek floreerde. Er kwam zelfs een beetje export naar Japan op gang. “Ieder jaar keerden we bonussen uit', zegt Petoechov. In 1986 was hij directielid geworden, en tegelijk burgemeester van Jatarni (Barnsteen), het 6.000 zielen tellende dorpje op de met barnstenen aders doortrokken klif. “Ik heb scholen gebouwd, een cultuurhuis, appartementen, creches', zegt hij.

De oude Duitse villa's, met vakwerkgevels en pannendaken, staan inderdaad in de schaduw van karakterloos beton. Jatarni ligt op een beboste heuvel boven het strand en is on-Russisch mooi; kennelijk zijn de Sovjet-kameraden er niet in geslaagd het helemaal te vernielen.

Maar voor Petoechov zijn de grijze blokken juist bakens van de vooruitgang en is Gorbatsjov, met zijn onbezonnen perestrojka, er de schuld van dat er eind jaren tachtig stagnatie intrad. Desastreuzer nog voor het dorp was de privatiseringsdrang van Jeltsin. Toen die eenmaal aan de macht was in het verre Moskou kregen alle 2.500 werknemers een voucher, wat hen in naam tot mede-eigenaar van de fabriek maakte. Petoechov: “Ik zei nog: hoe kunnen 2.500 mensen nou tegelijk de baas zijn? En ik kreeg gelijk. De privatisering liep uit op roof.'

Roof? “Ja, diefstal plundering. Er begonnen steeds meer en steeds grotere stukken barnsteen te verdwijnen. Het was totale chaos. We kregen de ene na de andere directeur. En allemaal probeerden ze zoveel mogelijk vouchers op te kopen om zich tot eigenaar uit te roepen.' De rust in Jatarni was op slag verdwenen. Petoechov herinnert zich nog 1983, het jaar dat er een klein maar onverklaarbaar gat in de boekhouding was geconstateerd. “Toen hadden we meteen de KGB over de vloer en het hoofd van de bewaking moest verslag uitbrengen in Moskou.' Tien jaar later was het dorp verworden tot een nest van smokkelaars, houders van illegale ateliers, afpersers. De barnsteenmafia?

“Ach, zo zou ik het niet willen noemen', zegt Petoechov. “Georganiseerde misdaad is een beter woord. Mafia associeer ik meer met dodelijke afrekeningen en die zijn ons goddank bespaard gebleven.'

De ex-burgemeester had namens een groep aandeelhouders geprotesteerd tegen de privatisering. Hij kende de weg in Moskou, want in zijn tijd ressorteerde de fabriek rechtstreeks onder het federale gezag. Petoechov en de zijnen wisten in 1996 een wet door de Doema te loodsen die barnsteen in dezelfde categorie plaatst als edelmetalen en -stenen. Dat gaf de staat meer macht om controle uit te oefenen, evenveel als in de goud- en diamantmijnen, ook al was de barnsteenbusiness nu in handen van kortgeknipte jongens in jeeps, die hun creditcards in opzichtige hoesjes van amber bewaarden. Zich beroepend op het nieuwe wetje oordeelde het Hooggerechtshof in Moskou dat alleen de staat gemachtigd was om barnsteen te delven, en beval de onteigening van het Kombinaat.

In Jatarni brak een lokaal barnsteenoorlogje uit met Petoechov als overwinnaar: hij werd in 1997 de nieuwe directeur van de opnieuw genationaliseerde industrie. Maar de cultuur van ieder-voor-zich was al diep in de gemeenschap ingesleten. “De plundering van alles wat waardevol is gaat door', zegt Petoechov. “Hoe meer bewakers ik aanstel, hoe meer er verdwijnt.'

Dat de economische crash in Rusland de zaken verslechtert, daarvan getuigt de boekhoudster die de directeur een paar keer onderbreekt. “Die 12.000 dollar bij de Sberbank zijn getraceerd', zegt zij in het aangrenzende kamertje. “Maar die 41.000 van de Investbank niet.' Er klinkt een hartgrondig gevloek. “Dat kan niet. Bel ze op en zeg dat ze een stel gore oplichters zijn.' Als Petoechov terugkomt gooit hij zijn handen in de lucht. “De rechter dreigt ons failliet te verklaren als we niet onmiddellijk 1,8 miljard roebel aan het pensioenfonds overmaken.

Maar ik zeg: het geld staat op onze rekening bij de Investbank. Maar de Investbank is ontploft, boem bestaat niet meer...'

Een kilometer verderop, op de bodem van een vijftig meter diepe groeve, legt Stefan Nikonov uit dat je pas bankroet bent als de waarde van alle bezittingen kleiner is dan de totale schulden. “En dat is voorlopig nog niet het geval', zegt hij. Al sinds 1966 staat hij hier in de blubber van de open barnsteenmijn. Nikonov draagt een korte jas met elleboogstukken en een pet van ribfluweel, als een jachtopziener. Een rijdend gevaarte op rupsbanden graaft een laag klei af. “Blaue Erde' zegt hij, gewoon in het Duits. Het is moeilijk voor te stellen dat er op deze grond een pijnboombos stond, en dat je de hars nog kunt ruiken als je de fossiele resten (een kilo per kuub) met een vijltje bewerkt. Soms zit er een stukje mos of een insect in het doorzichtige, brandbare gesteente gevangen, en dan sta je oog in oog met een geconserveerd restje van het bosleven van zestig miljoen jaar geleden.

Lege handen

Nikonov pakt een kluit, spoelt hem af in een plas, en er blijkt een karamelkleurige steen in te zitten. “Zonde', zegt hij. “Het is zonde dat we ten prooi gevallen zijn aan de anarchie. Ook voor de moraal van de mensen.' De moraal? “Ja, het is toch treurig dat we allemaal dieven zijn geworden? Want als je werkt en je krijgt geen salaris, dan is het toch niet zo verwonderlijk dat je steelt?' Als hoofdopzichter waakt hij over tweehonderd mijnwerkers van wie de meesten zijn ontslagen, maar gewoon als vrijwilliger blijven komen. Nikonov maakt een lege handen-gebaar: “Wat wil je ook. Je moet toch ergens van leven?'

Hij heeft meer moeite met het gedrag van de bewakers.

Vanuit hun houten observatietorentjes houden ze de boel in de gaten en zodra de dagploeg naar huis gaat, komen ze naar beneden om “tol te heffen'. Ze hebben honden en geweren, dus sta je machteloos. Bewakingsgeld vragen ze maar de werkers in de mijn voelen zich juist door hen bedreigd, en ze zien de mannen in uniform als afpersers.

De vraag waarom niemand er wat aan doet is een naieve. In Jatarni heerst nou eenmaal het recht van de sterkste. Officieel staat Petoechov aan de top van de piramide, als directeur van het Kombinaat en zetbaas van Moskou. Maar hij is op een haar na kaltgestellt door Jevgeni Lapsin, de grootste opkoper in het dorp. “Ik vraag aan niemand: hoe kom je aan die barnsteen? Dat is niet mijn business', zegt hij haastig, voordat hij in de auto stapt.

Lapsin gaat gekleed in een lange, beige regenjas, zo eentje uit de film. Hij heeft nauwelijks tijd, omdat hij op weg is naar een vergadering van de gemeenteraad. Zijn bedrijf-in-oprichting heet Rosyantar, een joint-venture tussen hem en het lokale bestuur, bedoeld om met vereende krachten het Kombinaat kapot te concurreren. “Het Kombinaat vertegenwoordigt de belangen van Moskou', zegt Lapsin. “En Rosyantar dat zijn wij, de bewoners van dit dorp.'

Schepnet

Jatarni zelf is verdeeld. Rosyantar biedt iets hogere prijzen, maar het Kombinaat is een reddingsboei waar je je aan kunt vastklampen, zoals Zoja in haar museum. Het gros van de dorpelingen probeert zich in leven te houden met de kruimels die van tafel vallen. Want zo zou je het werk van de ambervissers van Jatarni kunnen omschrijven.

Je vindt de ambervissers bij de vloedlijn, staande in een kring, dik ingepakt in groene en oranje voorschoten, op rubberlaarzen, gebogen over hun zelfgemaakte schepnetjes.

Nikonov, de mijnopzichter, had uitgelegd waar en wanneer je ze kunt aantreffen. Hij had gewezen op de pijpleiding die door de dagbouwgroeve loopt. “Daarin zit zeewater dat we gebruiken om het barnsteen uit de blauwe aarde te spoelen. Wat overblijft is modder en die gaat via een andere pijp terug naar het strand. Volg die pijp en aan het eind ervan zul je ze zien.'

De wind jaagt om hun koppen bij vlagen striemt de regen op hun gekromde ruggen, maar de ambervissers blijven geconcentreerd naar het gutsende afvalwater kijken. Om hun nek hangt een buideltje dat na uren van vissen gevuld raakt met een vuistdikke bal van restjes amber. Als je de modderspuitende, roestige pijp de aars van Rusland kunt noemen, dan zijn dit de aarsmensen.

Olga is een van hen, een moeder van 28 met paarse konen van de kou. Naast haar staat Maksim, een bejaarde man die zijn capuchon afdoet om tegen de wind in zijn hondenleven te vervloeken. “De communisten zijn verjaagd en nu hebben we niets meer. Alleen vrijheid, die verdomde klote-vrijheid. Die waardeloze vrijheid, wat koop je er voor?'

Zjenja, een bejaarde vrouw heeft geen plaats in de kring veroverd en vist daarom op de tweede rij, letterlijk achter het net. “Nee, ik heb nog niet zo veel.'

En Sveta, de slijpster. “Ik maakte vroeger sieraden en figuurtjes, maar ja, de inkrimping he.' Een dag vissen levert een hoeveelheid barnsteen op ter waarde van 30 roebel, vier gulden. Ze moet toch wat om haar man en haar zoontje van negen te onderhouden? Als officier van de Oostzee-vloot heeft haar echtgenoot sinds mei geen salaris meer gehad en het komt er op neer dat zij de enige kostwinner is.

Maar is dertig roebel per dag dan genoeg voor z'n drieen? Sveta zet grote ogen op: dertig roebel? “Dat is niet wat ik per dag overhoud.' Want van dat bedrag moet ze eerst de vergunning terugverdienen, dat is 180 roebel per half jaar, vervolgens zes kilo barnsteen per maand afdragen aan het Kombinaat, die de vergunning uitgeeft, en dan...

Ze wijst met een minachtend knikje van haar kin naar een man op het strand. Het blijkt een soldaat te zijn met een kalasjnikov op zijn heup. Van de grenstroepen verduidelijkt Maksim. “Hij zegt dat hij er is om ons te beschermen', zegt Sveta. “Maar van ons mag hij in de drek wegzakken. Wij doen immers het werk, waarom zouden we hem dan nog moeten betalen?'