Chinezen eten geen appelstroop

De appelstroopfabriek van de familie Henssen staat in het Limburgse dorpje Schinnen. De eigenaars, veertien neven en nichten, zijn de grootste stroopproducenten ter wereld.

De damesclub uit Klimmen, een dorpje vlakbij Valkenburg, is op bezoek in de Canisius appelstroopfabriek. Pater familias Piet (71) Henssen ontvangt de veertig vrouwen van middelbare leeftijd in het kantoor. Een achterneefje schenkt koffie, Piet Henssen vertelt over vroeger. Over de Romeinen die al stroop stookten, over de Limburgse huisvrouwen die het eeuwenlang zelf maakten, en over fruitkoopman Jean Canisius, zijn oudoom die in 1903 een fabriek begon. “Een briljant idee', vindt Henssen.

Stroop maken is niet moeilijk: appels wassen, heel lang koken, persen en indikken en dan heb je stroop. De grondstof, afvalappels, was toen ook al goedkoop en de afzetmarkt was gegarandeerd. In Limburg at iedereen het. Canisius werd De Industrieel van Schinnen. “Ze noemden hem de Heer.' In het dorpje Puth, even verderop, staat de Canisiuskerk, vernoemd naar een familielid. “De paus verklaarde hem zalig.'

De Klimmense vrouwen zijn groot geworden, zeggen ze, met Canisius appelstroop. Allemaal kennen ze de kartonnen pot met het blozende jongensgezichtje erop. “Je bent een stuk knapper geworden', zegt een vrouw in plat Limburgs tegen Jean Pierre Henssen (30), de zoon van Piet en de huidige directeur. Zijn babyfoto staat al 28 jaar op de verpakking. Hij bloost verlegen. Zijn vader even later ook, als een Limburgse vraagt: “Waarom is stroop soms slap, en dan weer stijf?'

Pure appelstroop is donkerbruin en azijnzuur. Pas in de jaren dertig ontdekte Canisius dat hij van suikerbieten ook stroop kon maken. Meng suikerbiet met appelstroop en je krijgt zoetzure, rinse stroop. En dat vonden de consumenten buiten Limburg lekkerder. En het was nog goedkoper ook. Nog nooit werd er zoveel van gegeten als in de Tweede Wereldoorlog.

Canisius had geen kinderen, hij verkocht de fabriek aan zijn nicht en haar echtgenoot Harry Henssen. Dat was de vader van Piet, en de opa van Jean Pierre. Sinds die tijd heet de fabriek Canisius-Henssen. De Henssen-familie had kinderen genoeg om de fabriek te leiden. De broers Harry, Alfons en Piet werden in 1963 directeur. Jeanne, hun ongetrouwde zusje, kwam op kantoor.

Piet Henssen zit nog elke dag in zijn leren fauteuil achter een groot bureau. Zijn broers Alfons (60) en Harry (bijna 80) werken ook nog mee. “We wonen allemaal om de hoek.' Twee jaar geleden verkochten ze de fabriek aan hun kinderen. De fabriek in de familie houden was niet het probleem, alleen wie werd de baas? Samen hebben de broers veertien kinderen. Ze richtten een mini-raad van bestuur op, Heki Beheer, een afkorting voor: Henssen Kinderen Beheer.

Zoon Jean Pierre pakt er een schema bij, een stamboom met drie takken. Alle veertien kinderen zijn aandeelhouder van het bedrijf. “Elke staak mocht een directeur leveren. Een kind van elke broer.' Jean Pierre, neef Maurice en nicht Jolan, alledrie dertig jaar leiden nu de fabriek.

Ruzie over opvolging of geld is er niet, zegt Jean Pierre. De aandeelhouders ontvangen pas dividend als de schuld aan de vaders is afbetaald. En Jean Pierre heeft alleen zussen, dus hij heeft zich, zegt hij, nooit zorgen gemaakt over zijn toekomst. “Mijn wieg stond in de stroop.' De familie is hecht, zegt hij. Ze wonen allemaal op loopafstand van de fabriek en elk weekeinde spelen ze samen in de blaaskapel, Oom Alfons speelt tuba, neef Maurice trompet. “Het is een echte mannenclub.'

Terwijl zijn vader de post openmaakt, leidt Jean Pierre de damesclub rond in de kleine fabriek aan de overkant van de spoorlijn.

Een vrouw rilt: “Dit is de geur van armoede.' Van september tot januari is het suikerbietentijd. De boeren uit de buurt storten vrachtwagenladingen op het fabrieksterrein. Vierentwintig uur per dag wordt er in grote ketels geperst en gekookt. Van de 130.000 kilo bieten per dag blijft dertigduizend kilo stroop over. Daarna worden de appels en de peren op dezelfde manier bewerkt. Met dezelfde machines. Speciale apparaten voor stroopfabricage zijn er niet, zegt Jean Pierre. “Er bestaan te weinig stroopfabrieken.' In Nederland zijn er drie waarvan Canisius de grootste is. De tweeentwintig werknemers hebben de meeste machines zelf gemaakt. En de ingewikkelde installaties maakte Oom Sjaak, die had een constructiebedrijf.

Na de eerste kook wordt de appelstroop “volgens grootmoeders recept' vermengd met bietenstroop. Voor de binding gaat er nog wat pectine bij. Pectine wordt uit trester geperst gedroogde appelschillen. Als alles nog een keer is gekookt, is de stroop klaar. Via een grote trechter komt het terecht op de afvulafdeling. Daar worden de fraaie rood met gouden blikjes gevuld, of de gele Collo-potten of de fotobekers.

Verbijsterd kijkt de damesclub toe. “Al die stroop komt uit dezelfde ketel.' Dat klopt. In de verschillende potten zit dezelfde stroop, ze gaan alleen naar verschillende supermarkten. Dirk van den Broek wil een witte beker, Edah de fotobeker (die met het babygezichtje), het Collo-merk is voor Aldi. Bij Aldi is de appelstoop het goedkoopste, 1,19 gulden. “Daar koop je geen honing of hagelslag voor.' Een blikje kost meer dan het dubbele. “Dat wordt in exclusievere winkels verkocht.'

Per jaar maakt de fabriek bijna drie miljoen kilo appelstroop, dat is zeven miljoen potten.

De omzet, nu 7,5 miljoen gulden, stijgt jaarlijks met zeven procent, het afgelopen jaar zelfs tien procent. Hun potten staan in bijna alle supermarkten, behalve bij Albert Heijn. Daar staan blikjes van de enige concurrent, Frumarco een samenwerkingsverband van twee Nederlandse en een Duitse stroopfabrikant.

Tien procent van de productie gaat naar het buitenland. Naar Australie, Nieuw Zeeland en Canada, waar de Nederlandse emigranten met drop, hagelslag en rinse appelstroop de smaak van het vaderland willen vasthouden. En naar Duitsland, Belgie en de Scandinavische landen. Die willen vooral biologische bietenstroop. “Zij hebben daar geen biobieten.' Nieuwe afzetmarkten zoeken de nieuwe directeuren niet. “Dat heeft geen zin.' Chinezen, zeggen ze, eten geen appelstroop.

Jean Pierre maakt zich maar over een ding zorgen: de Nederlandse jeugd weet niet meer wat appelstroop is. Vroeger maakte zijn vader de advertenties zelf, zijn vrouw verzon de slagzinnen: Canisius Appelstroop lekker en fris, mag niet ontbreken op Uw disch. “Ze rijmt heel aardig.' De jonge directeuren hebben nu toch maar een reclamebureau ingehuurd. Het bureau bedacht een nieuw product: Canisius Kids. Dezelfde appelstroop, maar nu met twee stripfiguren op het potje.

Binnenkort komt er een speciale site op Internet. Met tips en recepten van een Maastrichtse kok. Want appelstoop is meer dan broodbeleg. Vraag maar aan de vrouwen van de damesclub. “Het is lekker bij de balkenbrij, en heerlijk op ingemaakte haring.'