Ambtseed

1. De discussie die de Statenleden Feddema en Koetsier willen over de ambtseed van politieke gezagdragers mag niet licht worden afgedaan al is hij eerst en vooral een kwestie van de verwoording. Terecht vragen zij aandacht voor de plaats van God in de hedendaagse religieuze en maatschappelijke beleving.

Bij mij roept (GroenLinks)partijgenoot Henk Koetsier (NRC Handelsblad, 31 oktober) vooral de vraag op of de eed, c.q. de gelofte in de hedendaagse samenleving nog waarde heeft. Als eed van zuivering is die waarde beperkt. Vrijwel iedere kandidaat heeft zijn partij toezeggingen moeten doen, van immateriele, zo niet van materiele aard om op de kandidatenlijst te komen. Het onderschrijven van het verkiezingsprogramma en de in de meeste partijen bestaande afdrachtregelingen lijken, in strikt formele zin, in strijd met de zuiveringseed.

Ook als belofte is de waarde van de eed beperkt. Afgevaardigden moeten zich eerst en vooral tegenover hun eigen geweten verantwoorden, en direct daarna tegenover het programma waarvoor zij gekozen zijn, hun partij en hun kiezers. De gelofte (of eed) de functie getrouw te zullen vervullen is daarmee tautologisch (men moet doen waarvoor men gekozen is).

Tenzij wordt uitgegaan van het 'algemeen belang'. Dat is echter een fictie die eraan voorbijgaat dat iedere politieke partij opereert vanuit en in die richting van het algemeen belang zoals zij dat waarneemt. Het Algemeen Belang is niet objectief maar bestaat uitsluitend intersubjectief, als het belang van een politieke of maatschappelijke coalitie, of een elite. De ambtseed houdt daarmee welke formulering ook wordt gebruikt, te weinig rekening. Bovendien is ze op geen enkele manier afdwingbaar.

Het belang dat desondanks aan de eed gehecht wordt hangt samen met de behoefte aan zekerheid, dat beleidsmakers zich niet uitsluitend op eigenbelang baseren. Dit kan echter slechts op een manier gecontroleerd worden. Politieke ambtsdragers dienen actief volstrekte openheid te betrachten over hun materiele en immateriele belangen; over hun inkomen en bezit, en dat van hun naasten.

Wie tegen de regel zondigt zou uit zijn functie verwijderd moeten (kunnen) worden.

2. Dr. C.H. Koetsier acht het belangrijk dat de eedsformule ter discussie komt opdat de gewijzigde geloofsopvattingen doordringen in de juridische kaders (31 oktober). Die gewijzigde geloofsopvattingen beschrijft Koetsier als een afnemend geloof in een almachtige god de toenemende voorkeur voor het noemen van andere eigenschappen van god en de mogelijkheid voor moslims 'God' in de eed te vervangen door 'Allah'.Koetsier gaat daarbij echter voorbij aan de functie van de eed. De eed is, lijkt mij, geen persoonlijke geloofsbelijdenis van iemand die een publiek ambt of een ambtelijke functie uit gaat oefenen. Integendeel de eed dient een verklaring te zijn waaruit het voornemen duidelijk wordt het ambt of de functie eerlijk en overeenkomstig de wet uit te oefenen of te vervullen. Daar dient het geloof of het ongeloof van de betrokkene buiten te staan, hoezeer wellicht diens religieuze opvattingen voor hem of haar persoonlijk van belang zijn bij het vervullen van het ambt of de taak.In een tijd dat het geloof in een almachtige god wijdverbreid was en de scheiding van kerk en staat niet strikt, was een beroep op een almachtige god in de eedsformule niet onoverkomelijk. Nu een keur aan godsbeelden en religieuze opvattingen ingang vinden in het persoonlijke geloofsleven van velen, of dat geloofsleven er niet meer toe doet, is een beroep in de eedsformule op wat voor transcedente hoedanigheid dan ook, onjuist. Die formule dient dan ook niet aangepast te worden aan de waaier van mogelijke opvattingen op godsdienstig gebied maar moet geschoond worden van dergelijke opvattingen. De eed behoort dus afgeschaft te worden, zodat slechts behoeft te worden geantwoord op de gestelde vragen met de verklaring waar het om gaat: 'Dat beloof ik.'