Altijd zeven november

Eigenlijk had ik scheepskapitein moeten worden, althans volgens de astroloog die mijn ouders na mijn geboorte raadpleegden. De toverheks in kwestie was, zoals al haar collega's, sluw genoeg om niet 'matroos' te zeggen: ¡Yo no soy marinero, soy Capitán! Pa en Ma geloofden in astrale invloeden, dus een astrofysicus in de familie moet een kwelling voor hen geweest zijn, zou je denken.

Integendeel: het verhinderde hen niet om te houden van een zoon die theoretische natuurkunde en sterrenkunde najoeg. En de zoon in kwestie hield van hen, en van de milde mafheid die oneindig veel beter was dan een geloof dat wordt beleden met autobommen en brandstapels. Zij zijn beiden op zeven november geboren, en 't is dit jaar voor het eerst dat ze geen van beiden hun verjaardag meer kunnen vieren. Het is dus passend om te schrijven over twee mensen die hun kinderen ten volle steunden, ook al begrepen zij nauwelijks wat hen bewoog, of wat hun werk was. Want telkens als weer een schuchtere student of een nieuwsgierige vreemdeling vraagt welke invloed bepalend was in mijn jeugd, dan kom ik daarop terug, of ik wil of niet. Dan merk ik vaak dat vele anderen minder fortuinlijk waren.

Uiteraard heb ik de natuurkunde niet doelbewust uitgezocht, en zeker niet om eens buitenissig te doen. Van keuze was geen sprake: ik weet niet beter of mijn maniakale belangstelling voor hoe dingen werken is aangeboren. 't Had ook muziek of Grieks mogen zijn. Omdat ik een stuk jonger was dan de rest van de klas kwam het wel goed uit dat er een extra afstand van vallus et fossa tussen mij en de rest zat. Pa en Ma waren zich niet letterlijk van deze dingen bewust, althans daar hebben ze nooit een woord over gezegd, maar ze voelden feilloos aan dat leren een behoefte en een vreugde voor mij was. Zelf snapte ik natuurlijk hoegenaamd niets van mijn motieven.

Natuurkunde was mijn boomhut, gebouwd tussen de dunne takken waar zich wel vogels en kleine aapjes, maar geen logge mensen kunnen begeven. Daar zat ik vaak, in onnozele isolatie: wist ik veel wat de consequenties waren. Pa en Ma hielden hun voeten wèl op de grond zodat ik, eenmaal uit mijn boom geklauterd of gevallen, hun sporen weer kon volgen.

Dat ze niet bijhielden wat ik daar zocht was eigenlijk een groot voordeel, omdat ze zich er ook niet mee bemoeiden. Ik heb studenten en promovendi gekend die een kanjer van een oedipusprobleem meezeulden omdat vader prof was (moeder prof is niet zo'n probleem, schijnt het — zij zijn bovendien treurig schaars). De afzijdigheid van mijn ouders kwam niet over als een gebrek aan belangstelling, maar als blijk van vertrouwen dat ik niet wilde beschamen.

Uiteraard kwamen de problemen weleens aan de oppervlakte, speciaal als de vooruitzichten voor mijn carrière ter sprake kwamen. Pa zei eens: Jij wordt nooit professor, want je ziet er niet uit als een professor. Hij kon zeer zuur zijn, deze vader, maar dat brengt een scherpe kijk op de werkelijkheid vaak met zich mee. En waarachtig, door mijn benoeming als bijzonder hoogleraar is weliswaar mijn onderwijslast met honderd procent toegenomen, maar mijn soldij met nul procent — dus een beetje gelijk heeft hij wel gekregen.

Steun van je ouders heb je het meest nodig in het hoger onderwijs, want dat is het moeilijkste wat er is. Als het te makkelijk was, zouden wij de lat opzettelijk nog hoger leggen, want de maatschappij eist van ons (en wij eisen van onszelf) dat dit de hoogste opleiding is. Dus is het onvermijdelijk dat zelfs de hele goede studenten met tegenslagen te maken krijgen. Het blijkt dan ook dat velen die het VWO op hun slofjes deden, zich een rolberoerte schrikken op hun allereerste college astrofysica. En dat blijft zo; sterker nog, wie gaat promoveren krijgt nog eens een extra stortbui over zich heen, want in die fase ben je op jezelf aangewezen en kun je nauwelijks meer je docenten de schuld geven.

In zulke tijden kun je alleen maar terugvallen op je motivering, dus is het ondermijnen daarvan het ergste wat er is. Wie in die nood zijn ouders als vrienden leert kennen, is een bevoorrecht mens.

Alhoewel, bevoorrecht? Dat was het woord dat bij me opkwam, maar dat toont aan hoezeer het al gewoon is geworden te verwachten dat ouders hun kinderen niet thuis geven. Niet samen spelen en leren, maar je aanwezigheid afkopen met een knaak voor een ijsje, een geeltje voor de bioscoop, 25 miljoen voor maffe machientjes in het 'museum', 2,5 miljard voor computers op school.

Daarbij komt dat het veel makkelijker is om kritiek op anderen te hebben. En zo wordt een onderwijzer die het been van een gevallen scholier wast, de dag daarop aangeklaagd wegens kinderschennis. In de Amerikaanse afschuifmaatschappij heeft dit verschijnsel groteske vormen aangenomen. In de staat waar ik doceerde is het voorgekomen dat ouders die het woord 'seks' niet uit hun strot konden krijgen, wel een advocaat op de school afstuurden omdat hun kind daar geen seksuele voorlichting kreeg. Het gros van de Hollandse ouders heeft liever een extra week Benidorm of een tweede BMW, dan een leerkracht erbij in de klas.

De onvoorwaardelijke steun van Pa en Ma miste zijn uitwerking nooit, en was zelfs voelbaar op de Universiteit. Want als je je eigen ouders vertrouwt, vertrouw je ook je wetenschappelijke ouders. Dat waren er geen twee, maar minstens drie (gelukkig nog in leven).

Tiny Veltman heeft mij de ogen geopend voor het feit dat natuurkunde een menselijke schepping is. Niet het toepassen van een soort 'algebra der ontdekking', maar vallen en opstaan, heel veel vallen en opstaan, brengt ons voorwaarts. Dat ik ondanks al die blauwe plekken kon verdergaan heb ik vooral aan zijn voorbeeld te danken.

Fred van der Blij wist dat de mens een soort lanceervenster heeft tussen het vijftiende en vijfentwintigste jaar, waarin men alles moeiteloos in zich opneemt. Hij heeft mij midden in dat venster een geweldige zet gegeven naar het abstracte firmament van de wiskunde. Het duizelt me nog, maar ik hoop het vliegen nooit te verleren.

Van Henk van Bueren leerde ik hoe een fysicus kan proberen vat te krijgen op dingen die onaantastbaar ver weg staan. Bovendien bezit hij een humoristische vorm van scepsis die mijn luchtballon, als die te vervaarlijk opzwol, kon doorprikken zonder dat de knal mij blijvend verdoofde.

Dat alles is verankerd in mijn thuis. Ooit heeft Ma tegen mij gezegd: Al doe je de gekste dingen, je blijft er een van ons. In een tijd waarin ouders steeds meer van hun taken overlaten aan de moloch van de markt, kan ik niet dankbaar genoeg zijn jegens mensen die zich vierkant hebben opgesteld achter een zoon van wiens werk zij niets konden volgen.

Samen met je kind huiswerk maken, uitstekend. Maar dat kind toch blijven steunen als je zelf van het huiswerk geen lor snapt, dat is pas echt geweldig. Welterusten Pa, welterusten Ma. Bedankt voor alles — ik blijf nog even op.