Waarheidsjagers en godzoekers; Frederiksson meandert naar de Tweede Wereldoorlog

Marianne Fredriksson : Simon Vert. Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Geus, 382 blz. fl 49,90

Spiritueel spreken met bomen, geloven in de mythologische oergrond van het bestaan, overstuur raken van een oeroud priesterbeeld, luisteren naar de taal van de golven: voor de Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson (1927) is de waarneembare werkelijkheid niet genoeg, zij speurt als een seismograaf naar de diepere lagen van het bestaan. 'De mist,' schrijft ze bijvoorbeeld, 'was het verdriet van de zee, net zo oneindig als de zee. Eigenlijk niet te verdragen...' Het stijlmiddel personificatie gebruikt ze voorbeeldig.

Over een 'niet te verdragen verdriet' gaat haar roman Simon, in 1985 in Stockholm verschenen en nu vertaald. Het boek zou vermoedelijk niet in Nederland zijn uitgegeven als haar faam niet was gestegen met Anna Hanna en Johanna, de beschrijving van drie generaties vrouwen die hun onafhankelijkheid bevechten. Hiermee is niet gezegd dat Simon een minder boek is, het is ambitieuzer en ongrijpbaarder dan Anna etc. Het is een boek gedragen door vaak ijle emoties die de neiging hebben zich te condenseren tot grote levenswaarheden, zoals: 'Dat het erom gaat om psychisch een einde te bereiken. Alles wat ik heb beleefd, al mijn kennis mijn geluk en mijn lijden, mijn herinneringen en doelstellingen moeten naar een einde toe. Het betekende, je gezin, je kinderen, je huis, ideeen idealen, alles waar je je mee hebt geidentificeerd, moet je achter je laten.'

Deze woorden zijn afkomstig van de hoofdpersoon de joodse jongen Simon Larsson. Tijdens de oorlogsjaren zwerft hij rond in het scherengebied aan de kust bij Goteborg. Zijn moeder is Karin - maar zij is niet zijn echte moeder. Zijn vader is evenmin zijn werkelijke vader: Simon is geadopteerd om hem uit handen van de Duitsers te houden. De adoptie heeft ook een andere reden: Karin kan geen kinderen krijgen terwijl haar verlangen ernaar zo groot is. Met dit gegeven zijn we meteen aanbeland bij de thematiek van Fredriksson, die ze ook uitdrukte in Hanna etc: vrouwen die hun wens naar kinderen in harmonie moeten zien te brengen met 'hun oeroude angst voor bevallingen' en daarna met de eisen die het moederschap stelt.

Met de geadopteerde Simon als inzet schreef Fredriksson een meanderende roman; Simons stiefouders brengt ze in beeld daarna zijn zoektocht naar zijn echte, in Auschwitz omgekomen vader die violist was in Berlijn.

De kracht ontleent dit boek aan het grillige karakter van Simon, een weerbarstige jongen die, nadat hij tot inzicht is gekomen dat zijn kindertijd voorbij is en dus moet beseffen dat hij Karins zoon niet is, aldoor blijft verlangen naar die gouden jeugdjaren. Hij gelooft in 'een oeroude taal, de oudste taal van de mensen, die ook met de dieren en de bomen, de hemel en het water gesproken kon worden'. Hij is ervan overtuigd dat ieder mens in zijn prille leven deze taal spreekt, maar dat ze langzaam verloren gaat. De verlossende inzichten van new-age liggen op de loer. Ik miste eigenlijk de dolfijnen.

Fredrikssons karakters kunnen zo weggelopen zijn uit de toneelstukken van Ibsen en Strindberg, uit de films van Bergman. Ze beschikken over een gevoelswereld die onmiddellijk, bij de minste of geringste ontmoeting openbarst. Koele Scandinaviers zijn het niet. Het zijn waarheidsjagers en godzoekers. Het leven doet hen pijn en stemt melancholiek.

Schitterend beschreven en als zodanig de climax van het boek is het gevecht dat de jonggelieven Simon en zijn vriendin Klara met elkaar leveren. Zij is ronduit lelijk, arrogant, mager als een plank, stug, heeft in Simons optiek zelfs antisemitische trekken. Ze moeten elkaar veroveren eerder in heftige ruzies dan in momenten van liefde. Hun liefde gedijt dan ook het beste als strijd. Klara beseft dat man en vrouw elkaar nooit kunnen begrijpen, vreemden voor elkaar. Gezien Simons achtergrond is dat begrijpelijk: hij is een vreemde voor zichzelf. Aan zijn vader heeft hij zich nooit kunnen spiegelen.

De sterkste persoonlijkheid is Karin de moeder die geen moeder is. Fredriksson tekent haar in haar verzwegen tragiek scherp en karaktervol.

Op een dag besluit zij een pan weg te doen die ze te lang heeft en die zwart is aangeslagen. Die pan, waaruit de kinderen jaren hebben gegeten, symboliseert van alles: moederschap zorg, toewijding in de keuken. Ze beseft dat ze daarvan afstand moet doen wil ze, in haar laatste levensjaren, die slepende melancholie om haar nooit vervulde moederschap overwinnen. Inmiddels grootmoeder geworden - maar geen echte grootmoeder - doolt ze net als haar aangenomen kind Simon langs de rotsachtige kusten. Ze gaat op een dag op de grond liggen, sluit haar ogen en sterft. Het afscheid van de veelgebruikte pan luidde het afscheid van haar leven in.

In deze passages is Simon een subtiel geweven boek. Want dat doet Marianne Fredriksson, weven. Mensen gebeurtenissen, motieven, kleine drama's, grote vragen. Ze verbindt ze met elkaar op bijna achteloze wijze, vaak zo achteloos dat je herhaaldelijk moet terugbladeren want voor je het weet heb je een essentiele schakel in de verhaallijn gemist. Ineens Amerika, daarna Londen en een luttele bladzijden verderop Parijs. Dat gaat te snel. Minder doeltreffend en sprekend zijn de bladzijden waar antwoorden gegeven worden op de alomvattende vragen. De helderheid verdwijnt hier, er begint een kerkelijke duisternis over haar woorden te vallen.

De verbeelding van 'het grote verdriet', oneindig als de zee, is knap gedaan. Na de laatste bladzijden gelezen te hebben, is het niet eenvoudig uit de sfeer van het boek te komen. Het proza infiltreert in je gedachten want die grote vragen zijn niemand vreemd. Alleen de antwoorden erop, die willen we liever zonder zoveel geruststellende zachtaardigheid geven. Fredriksson doet dat wel, en dat is onbetwist een verdienste.