Verdwaald in geheimzinnigheid; Het buitenlands beleid van Nixon

William Bundy : A Tangled Web, the making of foreign policy in The Nixon Presidency Hill and Wang, 647 blz. fl 83,30

In 529 pagina's tekst maakt William Bundy niet helemaal duidelijk wat hem dreef toen hij besloot een kritisch boek te schrijven over de buitenlandse politiek ten tijde van het presidentschap van Richard Nixon (1969-1974). Met de publicatie vorig jaar van Abuse of Power, het transcript van Nixons eigen bandopnamen van conversaties met zijn naaste medewerkers, waren de sloopwerkzaamheden aan de reputatie van de 37ste president van de Verenigde Staten wel zo ongeveer voltooid. Aan deze daad van morele en politieke zelfvernietiging behoefde niets meer te worden toegevoegd.

Ondanks zijn wandaden lijkt Nixon de geschiedenis in te gaan als staatsman, als een leider die een nieuw tijdperk in de internationale verhoudingen inluidde. Bundy wekt de indruk dat hij dit wil voorkomen. Maar tegelijkertijd is hij te genuanceerd om in die opzet volledig geslaagd te mogen heten. Wel laat hij zien hoe taai de werkelijkheid is ook voor mannen met meer dan gewone verbeeldingskracht en doorzettingsvermogen.

De balans van Nixons internationale rol is niet eenvoudig op te maken. Daar is in de eerste plaats de figuur van dr. Henry Kissinger, Nixons veiligheidsadviseur en, aan het eind, minister van Buitenlandse Zaken. Kissinger heeft nogal eens de eer van het diplomatieke succes voor zichzelf willen opeisen. Zijn literaire nalatenschap staat in dat teken. De president had zelfs de chef van de staf van het Witte Huis, Bob Haldeman, opgedragen om hem van Kissingers contacten met de media op de hoogte te houden. Toen Time in 1972 Nixon en Kissinger samen als 'Men of the Year' op de cover plaatste, was dat net even te veel voor het presidentiele ego. Ook Bundy ontkomt niet aan de betovering die van Kissinger uitging, zoals de ondertitel van zijn boek al aangeeft.

Dominante figuur

De auteur tracht het dilemma dat het gelijktijdig optreden van twee zo dominante figuren stelt voor een op de persoon gerichte waardering, op te lossen met de constatering dat, behoudens het Watergate-jaar waarmee dit presidentschap werd afgsloten, Nixon zelf het stuur vast in handen had. Maar het lijkt onwaarschijnlijk dat de souplesse, de energie en de inventiviteit waarmee Kissinger vanaf de Oktoberoorlog in het Midden-Oosten buiten Nixon om de dingen naar zijn hand zette, mogelijk waren geweest als hij niet al eerder zijn stempel had gedrukt op de strategische beslissingen.

Hij was altijd meer dan de, briljante, uitvoerder van andermans beleid. En hij werd ook als zodanig door zijn internationale gesprekspartners beoordeeld. De bijzondere, hoewel vaak ongemakkelijke, band tussen beide mannen maakt een gescheiden beoordeling riskant. Een risico dat Bundy met zijn simpele verwijzing naar de formele hierarchie niet wegneemt.

Het hoogtepunt van zijn populariteit bereikte Nixon met zijn recordzege bij de verkiezingen van november 1972, vier maanden voor het begin van zijn politieke einde. De dooi dat jaar in de bevroren betrekkingen met zowel China als de Sovjet-Unie, tot uitdrukking gebracht in geslaagde staatsbezoeken aan Peking en Moskou, leek een bewijs van de stelling dat de status quo slechts kon worden gewijzigd door iemand als Nixon mr. Republican, de anti-communist in persoon. Niemand anders was op dat moment beter gepositioneerd om het Amerikaanse volk mee te nemen in het avontuur van een normalisering van de relaties met de twee grote vijandstaten. Toen de president triomferend terugkeerde van zijn bezoek aan het Kremlin viel hem in het Congres een ovationele ontvangst ten deel.

Tot zover de historisch aanvaarde uitleg van het fenomeen Nixon in 1972. Maar er was meer, meent Bundy. In de zomer was een offensief van de Vietnamese communisten met steun van de Amerikaanse luchtmacht tot staan gebracht. De terugtrekking van Amerikaanse troepen kreeg vaart de verliezen onder de GI's liepen snel terug. Nixons concept de oorlog te 'vietnamiseren', aanvankelijk gewantrouwd, won aan geloofwaardigheid. De demonstraties tegen de oorlog brachten steeds minder mensen op de been. De 'silent majority' hoopte op een eervolle vrede. De Democratische kandidaat, senator George McGovern, voorstander van vrede tegen iedere prijs, leed de zwaarste nederlaag aller tijden.

Hoe kon het dan toch nog verkeren? De gebruikelijke verklaring is Watergate, het schandaal van de vanuit het Witte Huis opgezette inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische partij en de 'cover up' onder, zoals later bleek, Nixons directe verantwoordelijkheid. Bundy neemt met die verklaring geen genoegen. Amerika's buitenlandse politiek werd volgens hem niet uitsluitend ondergraven als gevolg van de verzwakking van Nixons presidentschap door het Watergateschandaal. Het was veel meer de geheimzinnigheid waarmee Nixon en Kissinger van het begin af hun politiek omringden, die haar ondermijnde. Noch de publieke opinie, noch de volksvertegenwoordiging, noch zelfs het departement van Buitenlandse Zaken werd erbij betrokken. Dat ging goed zolang het goed ging, maar het werd een ramp toen de tegenslagen kwamen. Vriend en vijand in binnen- en buitenland voelden zich beetgenomen.

Het belangrijkste motief volgens Bundy, voor de opening naar Peking en Moskou was de wens beide mogendheden te bewegen de Amerikanen te helpen bij een zo bloedeloos mogelijke terugtocht uit het Vietnamese moeras. De omstandigheden leken gunstig, gezien de vrees die in Peking was ontstaan voor een Sovjet-aanval op China's nucleaire installaties. Maar Nixon en Kissinger zouden niet hebben begrepen dat juist de toegenomen rivaliteit tussen beide communistische staten hen dwong niet voor elkaar onder te doen bij de bevoorrading van Hanoi.

Hetzelfde onbegrip voor de lokale verhoudingen, meent Bundy, belette Nixon en Kissinger het zicht op de scheiding die zich voltrok tussen de Vietnamezen en de Rode Khmer in Cambodja. De geheime bombardementscampagne op het Cambodjaans-Vietnamese grensgebied dreef niet alleen de Cambodjaanse communisten steeds verder Cambodja in, maar vergrootte ook hun onafhankelijkheid ten opzichte van de Vietnamese kameraden.

Wat de latere 'killing fields' van Pol Pot zou hebben vergemakkelijkt.

Het uitlekken van de bombardementen op Cambodja in 1974 veroorzaakte een hevige crisis, zowel in Amerika zelf als bij de bondgenoten. Anders dan in Laos, schrijft Bundy, waar een soortgelijke geheime campagne al onder Nixons voorganger Johnson maar met instemming van de Laotiaanse regering werd gevoerd, ging het in Cambodja om een schending van het grondgebied van een soevereine staat. Het nieuws over de bombardementen op Cambodja verhevigde de verdeeldheid in de Amerikaanse samenleving en leidde rechtstreeks tot de stopzetting door het Congres van alle hulp aan Zuid-Vietnam. De campagne paste nu eenmaal niet in de officiele voorstelling van zaken dat vrede binnen bereik was gekomen.

Voor de Parijse vredesonderhandelingen kreeg Kissinger samen met zijn tegenspeler Le Duc Tho, de Nobelprijs voor de vrede. Het overleg had plaats op twee niveaus: een openbaar en een geheim niveau uitsluitend tussen beide delegatieleiders. Het probleem was Amerika's bondgenoot, de Zuid-Vietnamese president Thieu, te binden aan een overeenkomst die hem uiteindelijk onbeschermd zou achterlaten oog-in-oog met een onverzoenlijke vijand.

Nixon zelf haalde Thieu over het akkoord te ondertekenen met de geheime toezegging van Amerikaanse bombardementen voor het geval het Zuid-Vietnamese leger zou instorten. Toen dat in 1975 het geval was, bleef Amerika passief. Volgens Bundy had Nixon met zijn eenzijdige, niet door het Congres gesanctioneerde belofte zijn grondwettelijke bevoegdheden overschreden. Nixons opvolger Ford kon niet anders doen dan toekijken toen de tragedie zich voltrok.De geheimzinnigheid van Nixons politiek had andermaal haar tol geeist.

Dat de opening naar China en de Sovjet-Unie al snel stagneerde, wijt Bundy minder aan de Vietnamese perikelen dan aan de wijze waarop die opening werd geforceerd. De Amerikaanse China-politiek was sterk afhankelijk geweest van de persoon van Tsjoe En-lai. Toen China's premier van het toneel verdween als gevolg van een dodelijke ziekte en het stoken van zijn vijanden binnen de partij, was stilstand het gevolg. De gelijktijdige toenadering tot Moskou had bij de Chinezen wantrouwen gewekt over de Amerikaanse bedoelingen.

Daartegenover stond geen verbetering in de relatie met de Sovjet-Unie. Het beoogde kroonjuweel van de detente, SALT, een verdrag tot beheersing van de nucleaire bewapening bleek zoveel mazen te hebben, dat het nauwelijks beantwoordde aan zijn doel. De wapenwedloop werd voortgezet. De Amerikanen hadden verzuimd hun nieuwe rakettechnologie onder het verdrag te brengen. Toen de Russen hun achterstand begonnen in te lopen, was het met de stabiliteit gedaan. Volgens Bundy wreekten zich hier Kissingers gebrek aan gespecialiseerde kennis en zijn afkeer van de deskundigen van het State Department.

Ostpolitik

A Tangled Web gaat over (veel) meer. Het suggereert vooral een kritische kanttekening te willen plaatsen bij Nixons en Kissingers memoires waarin het oordeel, niet verbazingwekkend, voortdurend positief uitvalt voor de auteurs. Bundy geeft bijvoorbeeld alle eer van de ontspanning in de jaren zeventig aan de Ostpolitik van kanselier Willy Brandt, die was gericht op toenadering tot Oost-Europa, inclusief de DDR. Nixon en Kissinger stonden aanvankelijk wantrouwig tegenover Brandt. Maar Bundy gaat toch wel heel gemakkelijk voorbij aan de latere Amerikaanse steun aan Brandt, toen diens trouw aan het Atlantisch bondgenootschap eenmaal boven iedere twijfel bleek te zijn verheven.

Met de Akte van Helsinki van 1975 verplichtte Moskou zich tot naleving van de mensenrechten (hoe formeel die verplichting ook was), werden de naoorlogse grenzen in Europa bevestigd en verwierven Amerika en Canada een vaste plaats aan de Europese conferentietafels, een toestand die tot op de dag van vandaag vruchten afwerpt. Zonder Amerikaanse bemoeienis zou de overeenkomst er anders hebben uitgezien. Als ook de latere afwikkeling van de Sovjet-hegemonie in Midden- en Oost-Europa.

Bundy's boek is een samenvatting van veel wat inmiddels over het Nixon-tijdperk is geschreven. De auteur wijst bij herhaling op de werken waaraan hij de beschrijving van een bepaalde episode heeft ontleend. En ook in het notenapparaat wordt uitvoerig verantwoording afgelegd. De meerwaarde zit in het zijlicht dat Bundy werpt op de politiek correcte overlevering die bijvoorbeeld Clinton ertoe bewoog na Nixons dood een opmerkelijke en dagenlange rouw af te kondigen met vlaggen halfstok van alle regeringsgebouwen - als wilde hij zijn afgeschreven voorganger alsnog genoegdoening schenken.

Er blijven genoeg vragen over 'The Nixon Presidency'. Maar retrospectie heeft zijn grenzen. De in hun tijd spraakmakende politiek van Nixon en Kissinger verzandde al spoedig in de historische wetmatigheid dat alle actie reactie oproept. Ook Brandts Ostpolitik bewoog zich niet ononderbroken en onomstreden naar de gebeurtenissen van 1989 en daaraan volgend.

De Amerikanen en de Duitsers doorbraken, aanvankelijk gescheiden optrekkend, de heilloze impasse in de internationale betrekkingen die in de jaren vijftig en zestig was ontstaan. Dat was hun verdienste. De Vietnam-oorlog de Berlijnse kwestie en de opeenvolgende crises over Cuba vormden de dieptepunten. Een waarnemer als Bundy, die zelf zo nauw en zo lang betrokken is geweest bij het voortbestaan van die impasse, zou het gesierd hebben, als hij in zijn terugblik op Nixons presidentschap de voorgeschiedenis had meegenomen.