Veiligheidsbeleid EU kan slagen

Het is een vaak gehoorde constatering: de Europese Unie (EU) heeft geen buitenlandse politiek. De een vindt dit een gemis waaraan zo snel mogelijk iets moet worden gedaan. De ander ziet het als een bewijs dat de Europese integratie zo langzamerhand tegen haar grenzen oploopt. De invoering van de euro is in die redenering wel zo ongeveer het eindstation. Volgens de pessimisten kan het vandaar met de Europese Unie alleen maar bergafwaarts gaan.

Zonder een politieke unie heeft de Economische en Monetaire Unie (EMU) en dus de euro geen toekomst en een politieke unie is in Europa niet mogelijk. Dat laatste wordt verklaard met een verwijzing naar de grote lidstaten die op historische gronden nationale belangen zouden laten prevaleren en daarom niet in staat zijn een gemeenschappelijk beleid te formuleren.

Maar is in Europa nog wel sprake van nationale belangen die zich niet verdragen met nationale belangen van een der andere lidstaten? Het is niet eenvoudig op die vraag een definitief antwoord te geven, maar er is wel iets over te zeggen. Wie het over uitgesproken nationale belangen heeft denkt al gauw aan Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, beide staten met (een herinnering aan) een roemrucht verleden als supermogendheden van hun tijd. Waar lopen de belangen van deze staten niet parallel?

Een actueel voorbeeld zou kunnen zijn de reactie op de uitdagingen van Saddam Hussein. Begin dit jaar betuigden de Britten nadrukkelijk en onverkort hun steun aan de concentratie van de Amerikaanse vloot in de Golfregio als voorbode van een aanval op doelen in Irak. Frankrijk maakte zich tegelijkertijd in de Veiligheidsraad sterk voor een missie van Kofi Annan naar Bagdad waar de secretaris-generaal van de VN met steun van de Russische en de Franse diplomatie, een (zij het tijdelijke) oplossing voor de crisis wist te bereiken. Nu Irak weer dwarsligt, laat premier Blair zich opnieuw krachtiger uit dan een van de continentale partners.

Dat wordt Blair overigens minder kwalijk genomen dan de vorige keer. Toen bekleedde het Verenigd Koninkrijk het halfjaarlijkse voorzitterschap van de EU en werd Blair verweten de indruk te wekken namens de EU te spreken, wat niet het geval was.

Van bijzondere uitingen van Britse loyaliteit aan de grote partner overzee kijkt eigenlijk niemand op - zolang die uitingen voor de rest van Europa onverbindend blijven.

Maar betekent dit nu dat Fransen en Britten ten aanzien van Irak zo tegengestelde belangen hebben dat een gemeenschappelijk Europees beleid in deze kwestie is uitgesloten? Zelf ontkennen zij dat.

Beide landen hebben in de Golfoorlog tegen Irak een belangrijk militair aandeel gehad. In de aanloop was de Franse diplomatie in Bagdad zo actief dat het een tijdlang scheen alsof Parijs dwars lag op de koers van zijn belangrijkste bondgenoten. Maar uit het oog van de publieke opinie was Franse eenheden allang een plaats toebedeeld in de geallieerde aanvalsplannen.

In het Verdrag van Amsterdam wordt gesproken van een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid (GBVB). Die terminologie is niet toevallig gekozen. Het accent ligt op externe veiligheid, een begrip dat het voor kort gangbare begrip defensie vervangt.

Niet langer is het voortbestaan van Europa rechtstreeks in gevaar door de militaire macht van een naburige mogendheid. Maar onrust in de periferie bedreigt wel degelijk het gemeenschappelijke Europese belang.

De agressie van Saddam Hussein tegen het emiraat Koeweit was een schending van de internationale rechtsorde en een aanslag op de energievoorziening. De burgeroorlogen in voormalig Joegoslavie betekenen een risico voor de hele Balkan, voor de samenhang van de NAVO en voor de Europese rechtsorde. Bovendien zetten de vluchtelingenstromen die er het gevolg van zijn de sociale cohesie in Europa onder druk.

Het GBVB is in de eerste plaats gericht op het verzekeren van de externe veiligheid of, voorzover dat op korte termijn niet mogelijk is, op het indammen van de risico's die gewelddadige erupties in de periferie met zich meebrengen.

Over dit beleid bestaat geen meningsverschil.

Het GBVB bestaat, in zijn algemeenheid, maar ook in zijn daadwerkelijke toepassing in actuele crises van verschillende aard. Uit het soms zichtbare feit dat lidstaten van mening verschillen bij de uitvoering, kan niet worden afgeleid dat zij niet eensgezind zijn over grondslagen en uitgangspunten. Uit hun continue betrokkenheid en inzet bij de oplossing van de problemen blijkt de gemeenschappelijkheid.

Dat de EU bij daadwerkelijke interventies het voortouw laat aan instellingen als de VN, de NAVO, de OVSE en de Contactgroep voor ex-Joegoslavie wordt vaak gezien als een zwaktebod van haar kant. Maar onder de gegeven omstandigheden valt daar weinig op af te dingen.

De VN staan garant voor de internationale rechtsorde binnen Europa levert de NAVO de sterke arm, is de OVSE de verbinding met staten buiten de NAVO en de EU, en functioneert de Contactgroep als verzamelpunt voor de grote mogendheden met directe invloed in de Europese regio. Zonder het GBVB zou in de veiligheidsproblematiek een belangrijk bindmiddel ontbreken tussen de grote en de kleine lidstaten van de EU.

De ambitie van de EU gaat verder. Zij wil bij de uitvoering van het veiligheidsbeleid minder afhankelijk zijn. De pionier is hier Frankrijk de rem werd tot voor kort bediend door het Verenigd Koninkrijk, dat vreesde voor het losser worden van de Atlantische banden als Europa naast de NAVO een eigen militair apparaat zou opzetten.

Twee jaar geleden leek op een NAVO-conferentie in Berlijn een praktische oplossing voor het probleem te zijn gevonden. Maar vorig jaar op de EU-top in Amsterdam bleef Blair onbeweeglijk.

Daarin is nu verandering gekomen.

Blair heeft zich bereid verklaard de Britse blokkade van grotere zelfstandigheid van de EU in veiligheidszaken weg te nemen. Hij heeft die toezegging gedaan na ruggespraak met de Amerikanen. Het Britse voorbehoud dat de NAVO niet mag worden aangetast, kan geen beletsel voor toenadering zijn. Fransen en Britten zouden elkaar halverwege kunnen ontmoeten. Dat zou de gemeenschappelijke veiligheidspolitiek alleen maar versterken. Van de gedachte dat politieke gemeenschappelijkheid niet mogelijk is, kan dan voorgoed afscheid worden genomen.