Subsidies

Subsidies

Nederlandse schrijvers hebben vorig jaar minder subsidie gevraagd. Dat blijkt uit het jongste jaarverslag van het Fonds voor de Letteren. In 1997 vroegen 275 schrijvers een 'werkbeurs' aan het fonds, een jaar eerder waren dat er nog 322. Iets meer dan een kwart van de aanvragen werd afgewezen. De tweehonderd schrijvers die wel een beurs kregen, mochten bijna 4,5 miljoen gulden verdelen.

Zes schrijvers (H.C. ten Berge, Jeroen Brouwers, Louis Ferron, Jacques Hamelink, Geerten Meijsing en Jacq Vogelaar) vormen de 'eredivisie'. Zij kregen 57.600 gulden in maandelijkse porties om zich voltijds aan de literatuur te wijden. Leonard Nolens en Kees Ouwens kregen tienduizend gulden minder. De beurzen worden voor drie jaar verstrekt. Veel schrijvers ontvangen al veel langer geld van het fonds. Zolang een auteur even goed blijft schrijven, wordt zijn beurs in principe verlengd.

Louis Ferron is 'als een kind zo blij' met de overheiddssteun. 'Anders zou ik bij de Hoogovens moeten gaan werken. Zo kan ik een hoge productie houden.' Ferron ontvangt de werkbeurs al jaren. Ook nadat hij de AKO-literatuurprijs had gewonnen, vroeg hij ondersteuning aan. 'Ik twijfelde daarover, maar het fonds drong erop aan. Ze gunden me het extraatje wel.'

De grote 'werkbeurzen' gaan vooral naar oudere gevestigde auteurs. 'Voor jongeren is het lastig er tussen te komen' erkent Pieter Jan van der Veen van het Fonds voor de Letteren. 'Hoe langer je actief bent en hoe groter het oeuvre, hoe eerder de adviescommissies een grote beurs zullen toekennen.' Vandaar ook dat slechts negen van de tweehonderd toegekende werkbeurzen waren weggelegd voor nieuwelingen.

Dat goed verkopende auteurs als Harry Mulisch, Connie Palmen en Anna Enquist geen subsidie krijgen heeft niet met de kwaliteit van hun werk te maken, maar met hun inkomen.

Wie meer dan 70.000 gulden per jaar verdient krijgt niets van het fonds of moet een eerder toegekende beurs teruggeven. Meestal wordt dat verrekend met een volgende beurs.

De 'werkbeurzen' vormen ongeveer de helft van de negen miljoen gulden die het fonds te besteden had. Vertalers kregen voor 1,3 miljoen gulden aan beurzen, varierend van de 4800 gulden die Eugene Dabekaussen kreeg voor de vertaling van Rose Tremains How I found her tot de 33.600 gulden die Hans van Pinxteren incasseerde voor Montaignes Essais.

Aan 'aanvullende honoraria' voor reeds gepubliceerde werken schonk het fonds nog bijna 2,5 miljoen gulden aan schrijvers en vertalers. Zo kreeg A.F.Th. van der Heijden 25 duizend gulden voor de twee meest recente delen van zijn cyclus De tandeloze tijd. Overigens haalde hij later de inkomensgrens van het fonds in een keer binnen. Hij won met Onder het plaveisel het moeras de Generale Bank literatuurprijs.