Stripdichtclip; Vrije regelval

Deze week zag ik hem weer eens, de videoclip van 'Take on me', een leuk en licht liedje, van het Noorse groepje AHA. Nummer 1-hit in 1985. Er valt muzikaal van alles over op te merken, maar het zal vooral de geschiedenis ingaan vanwege het bijzondere filmpje dat erbij hoort. De clip lijkt aanvankelijk, zoals bijna alle clips, gebaseerd op twee gegevens: een optreden van de groep en een 'verhaal', waarin een dromerig en zo te zien verliefd meisje van een jaar of achttien zit te lezen in een stripboek.

Beide gegevens gaan een verbinding aan: in de strip speelt zich het verhaal af dat door AHA op hetzelfde moment bezongen wordt. In de stripheld herkennen wij, net als het verliefde meisje, al snel de leuke zanger.

Dat is binnen het genre van de clip nog niet zo bijzonder, maar dan gebeurt er iets wonderlijks. De strip begint te bewegen, gaat over in een tekenfilm, en komt af en toe zelfs daadwerkelijk tot leven, wanneer de tekenfilm overgaat in 'echte' filmbeelden die zo zijn bewerkt dat het nog steeds om een tekenfilm lijkt te gaan. Een tussenvorm die mooi aansluit bij de mengeling van werkelijkheid en verbeelding in het hoofd van het meisje. Om die tekentechnische vondst is de clip klassiek geworden, maar ook om wat er in het verhaal mee is gedaan. Het meisje ziet zichzelf, ook tot haar eigen verrassing, vervolgens in die striptekenfilm optreden, en nog wel als de geliefde van de leuke zanger, samen op de vlucht voor de politie (mooie achtervolgingsscene door de smalle stroken van de strip). Het levert een ingewikkeld geheel van steeds wisselende perspectieven op dat wel enigszins doet denken aan de vertelstructuur van de Max Havelaar - en met vergelijkbare humoristische, spannende en tragische effecten.

Aan die videoclip van AHA moest ik denken bij het lezen, of liever: bekijken, nog beter: ondergaan van 'In de metro'. Dat is een gedicht, of liever: een strip, nog beter: een verstript gedicht, dat zomaar midden in de bundel In de metro (1997) van Wim Brands opduikt. De veertig tekeningen zijn van Toine Moerbeek, de tekst is van Brands. Ook hier gaan verschillende genres op in een nieuw menggenre, en ook hier vloeien werkelijkheid en verbeelding (en dat dan weer in een getekende werkelijkheid) voortdurend in elkaar over - en het wonderlijkste van alles is dat die statische tekst en die stilstaande plaatjes bij elkaar voor een beweeglijk effect zorgen dat nog het best met dat van een videoclip vergeleken kan worden.

De strip speelt in de ondergrondse van Londen, 's morgens om half acht, als in de gangen van het metrostation uit de mond van een mannelijke forens deze beginregel klinkt: 'Elke ochtend zit zij achter hetzelfde raam / en noem ik haar anders.' Zij is de muze, zou je denken, of een hoer, of een anonieme medeforens, maar al snel blijkt zij al die functies in zich te verenigen. Zij is een fotomodel op een reclameposter in de gangen van het station, en zij is tevens te vinden in het modetijdschrift dat de reiziger onderweg leest. Op haar richt zich elke dag blijkbaar zijn fantasie. Dat het om seksuele fantasieen gaat is duidelijk, en valt trouwens ook goed af te lezen aan de plaatjes met blote borsten en stijve penissen die hier al snel tussen de tekeningen van trappen, gangen, rails en perrons opduiken.

Alles speelt zich in de verbeelding van de reiziger af, maar de afbeeldingen laten niets aan de verbeelding van de lezer over. Wie niet van pornografie houdt, zou daarin een verschraling van de poezie kunnen zien, maar er staat wel iets tegenover. Moerbeek gebruikt zijn tekeningen ook voor allerlei poetische effecten die de tekst van zichzelf niet bezit. Hij voegt aan het nauwelijks rijmende gedicht beeldrijm toe. En hij voorziet de zakelijke dichtregels van beelden die het geheel dubbelzinnig maken. We lezen: 'Doe het langzaam, zegt ze, maar haar heupen bewegen snel.' Maar we zien hoe de man zich in veertien kleine tekeningen haastig met zijn horloge voortdurend in de aanslag, door de gangen spoedt om, bij wijze van hoogtepunt, nog net op tijd bij de binnenrijdende metro te zijn.

Het is een van de plaatsen waar de hijgerige haast van de forens samenvalt met zijn hijgerige verbeelding.

Dezelfde twee motieven komen ook samen in de regel 'Ik verlaat na 14 minuten het stel.' Daarin is het stel zowel het treinstel als het vrijende stel, dat hij na zijn ritje van elke dag precies na 14 minuten weer moet verlaten. Het moet allemaal snel - en ook dat is iets wat deze strip verbindt met de clip.

Voor wie wil, valt er hier genoeg te duiden. Aan freudiaanse symbolen en archetypische oerbeelden geen gebrek: lange metrostellen die door donkere schachten schuiven, de liefde bedrijven in een donkere ondergrondse ruimte, de doolhof van het metrogangenstelsel, enzovoort. De strip kan gelezen worden als een geval van zuivere porno, met de vrouw als lustobject, als opblaaspop. Of juist als het tegendeel ervan, als een treurige forensenfantasie: aan het eind is zij het die de regie overneemt en wegloopt, met achterlating van een leeggelopen willoze ballon. Of als iets luchtigs ertussenin, een erotische zeepbel die aan het slot weer wordt weggeblazen: 'en ik zwaai zoals elke ochtend naar ons allemaal in een wegrijdende ruit.'

Veel mogelijkheden naast elkaar, veel werkelijkheden naast en door elkaar, in dit gedicht en deze strip, net als in een clip. Spreken wij van een stripdichtclip. Een nieuw genre, met veel mogelijkheden, al zal het vermoedelijk niet gauw navolging vinden want je moet er wel goed voor kunnen tekenen. Maar toch: onlangs is in Frankrijk deel 1 van de stripversie van A la recherche du temps perdu verschenen. Er zullen nog veertien delen volgen.