Schelden is toch heerlijk; Dirkje Kuik over thrillers, romans en soldaten-eer

Dirkje Kuik ontving gisteren de Multatuliprijs voor haar roman 'Broholm' waarin een jonge schilder op de Napoleontische slagvelden terecht komt. “Militairen onder elkaar zijn grote jongens. Maar dat gevloek en getier komt ook wel een beetje van mezelf.'

De eerste keer dat ik Dirkje Kuik thuis in Utrecht opzocht, twintig jaar geleden, heette zij William D. Kuik. Zij was toen een broos heerschap met snor en pijp. Nu doet een gesoigneerde oudere dame de deur open van een klein winkelhuis in de historische Utrechtse binnenstad. Hier woont en werkt de bijna zeventigjarige schrijfster en beeldend kunstenares. Zij steekt een slanke hand uit waarvan de nagels lilaroze zijn gelakt. De beige wollen rok reikt tot haar enkels. Over een donkere coltrui is een sjaal in lichte pasteltinten geknoopt. Het opgestoken, witblonde haar valt in nonchalante, bijna wulpse krullen over haar voorhoofd.

De witte oorbellen, de elegante damesbril, zij blijken als accesoires niet noodzakelijk om te benadrukken dat hier een vrouw voor mij staat. Een hele opluchting. Ik was beducht voor dit moment, beducht voor de eerste ontmoeting sinds operaties begin jaren tachtig van Kuik een vrouw maakten. In hoeverre zou de man nog doorschemeren? Ontkwam de transseksueel aan het verklede uiterlijk dat travestieten op leeftijd zo tragisch maakt? Na de handdruk op de drempel gaat ze me voor door de winkelruimte waar een zware antieke etspers tegenover een monumentale schouw een ereplaats heeft gekregen. De groengeschilderde pers is een erfstuk van een Utrechtse graficus. “In dit huis zijn veel herinneringen', zegt Dirkje Kuik met haar jonge, licht nasale stem. Tegen de muur staat een ingelijste tekening van de Domtoren in aanbouw, een compositie van fragiele lijnen. Alleen de gotische poort is duidelijk herkenbaar, de omgeving verdwijnt grotendeels in grafische mist. Een tijdloze voorstelling 'voor vrienden gemaakt'. Ze is er zelf erg tevreden over. Acher elkaar stommelen we de smalle, roodgeschilderde trap op die geen leuningen kent.

Boven, in het overvolle woonvertrek ben ik het beeld van William D. Kuik vergeten.

Eigenlijk was het grote atelier eenvoudig gemeubileerd. Aan de wand hingen halfbewerkte doeken. Griekse voorstellingen herkende hij en ook een paar prachtige portretten, vrouwen. Tegen de linkerwand een klein intiem landschapje. Het moest een uitzicht zijn op het park van het Luxembourg, en daarnaast een doek waarover hij veel had gehoord. Het stelde de dood voor van de conventionnel Marat, gelegen in zijn bad. Het was inderdaad een schitterend schilderij, dat hij op het eerste gezicht indrukwekkend vond.

Hij voelde zich almaar kleiner worden naast zijn vader. De schilder stond nu achter een lange werktafel vlak bij de hoge ramen. Daarop lagen zijn schetsboeken en tekeningen, zag hij. David hield een grote schets in zijn handen, een schets van een Venuskop die hij nog op het lyceum getekend had, op grijs papier, met houtskool gedaan, en hier en daar opgehoogd, in wit krijt.

'Zeer talentvol, kapitein Dubois een bijzondere tekenaanleg spreekt eruit,' sprak hij. Daarna mompelde hij iets onverstaanbaars - het leek op het grommen van een waakhond - en nam nog een klein krabbeltje op, dat de tuin van zijn ouderlijk huis voorstelde. 'Ja, beslist aardig! Hoe komt zo'n snotaap ertoe...' Nou snotaap, hij was reeds zestien, maar in zekere zin had meneer David gelijk. In zijn ogen maakte hij natuurlijk nog een kinderlijke indruk.'

In dit fragment uit de roman Broholm waarvoor Dirkje Kuik gisteren de Multatuliprijs ontving, maakt de jongeman Dubois aan de hand van zijn vader, kapitein Dubois, zijn opwachting bij de hofschilder van Napoleon Jacques-Louis David. Deze bezorgt de jonge Dubois een baantje op het atelier, eerst als duvelstoejager - verfwrijven, kwasten schoonmaken pennen versnijden - later vindt hij op het atelier zijn plaats als zelfstandige kleine meester.

In 1803 wordt de jonge kunstenaar opgeroepen voor het revolutionaire leger. Ook zijn militaire loopbaan bij een elitekorps van de cavalarie is glansrijk. Hij trekt van slagveld naar slagveld, hetgeen Dirkje Kuik in staat stelt om het krijgstoneel tot in de meest technische en gruwelijke details te beschrijven. Maar altijd in glasheldere, lichtvoetige taal. Regelmatig wordt er gevloekt als 'een ketellapper', een woord dat na Jan de Hartog buiten gebruik leek te zijn geraakt. Dirkje Kuik beschouwt zichzelf als een verteller, net als de schrijver van Hollands Glorie.

Passend bij deze traditie zit zij in een waardige stoel met gekrulde houten armleuningen, schuin voor de kleine glas-in-lood ramen. Op de hoge, donkerrode rugleuning hebben kattennagels heftig huisgehouden, maar tijdens ons gesprek laat zich geen kat zien. Het is een van de vele verhalen waar wij niet aan toe zullen komen. Dirkje Kuik woont in het huis van haar ouders en haar jeugd. Is zo'n gewicht aan herinneringen om je heen nog wel te dragen?

“Het is gelukkig niet groot. Ik ben hier op mijn achttiende weggegaan en kon het twintig jaar geleden door een toeval kopen. Ik heb het zoveel mogelijk in oude staat gelaten. Mijn moeder had hier een bric a brac winkeltje en mijn vader, houtbewerker, stond beneden voor het raam te snijden. Als zij nu terug komen, zouden zij verbaasd staan: verrek het is nog zo.'

Op de tafel, onder de tafel, op de vensterbank, op de vloer, op de planken boven de lambrizering liggen en staan boeken. Was dat in uw ouderlijk huis hetzelfde?

“Mijn vader had een aardige bibliotheek en daar is de mijne aan toegevoegd. Waren tien verhuisritten voor nodig. Ik kan nog steeds weinig boeken terugvinden, dus ga ik boeken die ik al heb maar weer kopen.

Een beetje stom. Maar ja, je kunt van alles doen, razend worden, op trapjes klimmen en zo, maar daar heb ik geen zin in. Er kan ook wel wat weg. Ik hou van thrillers en daar kan ik wel wat van missen.'

Een thriller laat zich maar een keer lezen?

“Niet allemaal. Chandler zou ik niet willen wegdoen. Ook sommige Nederlandse thrillerschrijvers zijn niet slecht. Indertijd Koos van Zomeren. Hij zei later: 'ik schrijf geen thrillers meer want de mensen erachter zie je niet'. Ik zei: je bent gek. Ik heb zijn thrillers toen herlezen en ontdekte dat ze te goedkoop zijn, je zou veel meer met die gegevens kunnen doen. Hij heeft het ten onrechte opgegeven. Een thriller is ook een roman. Je kunt toch niet zeggen dat Conan Doyle geen schrijver is. Ik hoop dat Van Zomeren er op terugkomt, met zijn mooie, korte, stevige stijl.'

Welke boeken zou u kiezen voor het befaamde vluchtkoffertje waar er maar een stuk of vijf inkunnen?

Het is lang stil. Dan: “Ik aarzel tussen Prosper Merimee en Stendhal, maar ook bepaalde historische boeken. Ik heb bijvoorbeeld net dat boek van Bullock cadeau gekregen waarin Hitler met Stalin wordt vergeleken. Ik ben het er niet mee eens maar zo'n boek fascineert mij. En natuurlijk, de memoires van Saint Simon. Laatst had ik het nodig voor wat korte stukjes over Lodewijk XIV, wat is dat prachtig.'

Bent u eerder lezer van een incidenteel boek dan van een oeuvre?

“Ja, zo'n Jack London moest de complete Shakespeare gelezen hebben. Dat is typisch Amerikaans. De hele Goethe en niet alleen Die Italienische Reise. Dat heb ik niet, daar ben ik veel te wispelturig voor. Er zijn onderwerpen waar ik mij op een bepaald moment in vastbijt zoals nu over Munchen 1938, daar wil ik iets mee gaan doen.

Dus lees ik het boek van Hermann Rauschning dat hier boven op een stapel ligt, De Nihilistische Revolutie, wie leest dat nog? Hij komt met een bepaalde verdediging van de soldaten-eer. Dan denk ik, Fontane wist het in 1870 al beter in zijn prachtige stukken over het Duitse officierenkorps. Die soldaten-eer van het oude Duitse leger was een vergissing. Als journalist is Fontane met de verschillende oorlogen meegeweest, de Deens-Duitse en in 1870. Hij heeft daarover heel afkeurende stukken geschreven. De mentaliteit van die officieren was helemaal niet zo leuk.'

Op de krijgstonelen in 'Broholm' is soldaten-eer ook ver te zoeken.

“Die militaire kant is mij wel verweten. Dat ik onvoldoende ethisch over de oorlog heb geschreven vind ik geklets. Het is op geen enkele manier een ethisch bedrijf en dat zal het nooit worden ook. Maar het is wel een heel menselijk bedrijf en maakt als zodanig een fiks onderdeel uit van de menselijke geschiedenis. In oorlog zit nooit fatsoen, er komen weleens fatsoenlijke mensen in voor, maar oorlog is altijd crimineel, ook als je het vaderland verdedigt.'

Decennia lang heeft u Napoleontische studies gelezen. De veldtocht naar Egypte in 1798 met de karavaan van geleerden en kunstenaars in het kielzog - inclusief etspersen voor de vermenigvuldiging van de beelden die werden aangetroffen - is onderwerp van zorgvuldige studie geweest. Hoe heeft u het atelier van de grote David leren kennen?

“Dat is een andere zijde. Lescluse, kunstcriticus en kleine leerling van David, heeft een biografie van hem geschreven. Hij is altijd op zijn atelier geweest. David was toch wel een groot schilder hoor. Met een paar beperkingen, maar die hebben Delacroix en Ingres ook.

De schilderachtige stijl van Delacroix vind ik erg mooi, het heeft met mijn werk te maken, maar wordt op den duur een nogal ongecoordineerde troep. Terwijl het bij David het omgekeerde is. Dat is orde, dat is wiskunde, kijk maar naar zijn latere portretten. Lescluse was groot voorstander van het neoclassicisme, vandaar die prachtige biografie die hij op zijn oude dag nog met veel liefde over David heeft geschreven.'

'De uitgehongerde kloten stierven bij het werk als ratten, en indien de bevolking uit de omstreken ze niet wat voedsel had gebracht, dan waren zij allemaal gecrepeerd.' Klopt de taal op de slagvelden bij Ulm en Austerlitz net zoals de beschrijving van het licht klopt in het atelier van David?

“Dat denk ik wel. Militairen onder elkaar zijn grote jongens. Maar dat gevloek en getier komt ook wel een beetje van mezelf. Ik ben van plan een soort memoires van een oude admiraal te schrijven, dat wordt een grote raas- en vloekpartij. Speelt in dezelfde tijd.'

Waarna Dirkje Kuik op fluistertoon laat horen: “Schelden is toch heerlijk. Het kan op het ogenblik natuurlijk niet, er wordt zo keurig en braaf geschreven.'

Dubois is een nette, onberispelijke jongeman en blijft dat het hele boek door.

“Een keurig opgevoede jongen die op zo'n atelier terechtkomt. Daarin zit een beetje sentiment dat ikzelf nooit heb beleefd. Van de Rijksacademie werd ik weggejaagd, ik weet niet waarom. Bij Dubois ging het mij om die prettige, onbezonnen, aardige jeugd die in het water valt omdat hij, verdomme, in het militaire zooitje terechtkomt. Iemand heeft het een ontwikkelingsroman genoemd en dat vind ik wel aardig. De jongeman heeft talent, wil schilder worden, maar komt na de oorlog terug als kunsthandelaar.'

Net als uw vorige boeken zit 'Broholm' vol met sprookjesachtige tekeningetjes van uw hand. Ontstaan de krabbelachtige figuurtjes die nooit krijgshaftig, maar altijd aandoenlijk zijn, in de marge van het schrijven, of achteraf?

“Gelijktijdig. Het zijn geen illustraties. Vroeger was dat misschien nog het geval, in zekere spotstijl. Daar probeer ik af te komen. Ik heb grote bewondering voor Alfred Kubin die ook romans heeft geschreven en altijd heeft getekend. Zijn tekeningen zijn eigenlijk ook romans. Bij mij is het allemaal heel langzaam gegroeid. Ik ben niet stil blijven staan. Veel is veranderd in mijn uitkijk, maar de samenhang is groter geworden. Ik ga nu bijvoorbeeld toch nog wat prutsen met kleine olieverfschilderijtjes. Niet dat ik aan succes denk, dat interesseert mij helemaal geen barst meer. Die tien jaar die ik misschien nog mee ga.'

Heeft de metamorfose man/vrouw uw uitkijk veranderd?

“Nee hoor... Misschien dat literair gesproken de vrouwfiguur op den duur wat duidelijker is geworden, dat zou kunnen. Ik bewonder Elisabeth Bowen, typisch zo'n Engelse schrijfster in de Franse hoek. Dat heb ik geleerd van [uitgever] Theo Sontrop die voor mijn ontwikkeling belangrijk is geweest. Bowen heeft eens gezegd: als je achter je schrijftafel zit, ben je man noch vrouw, je schrijft. En mijn tekeningen? Een goede vriend van mij, Ge van Herpen, een dokter uit Nieuwegein - hij komt in Broholm voor als arts en militair attache bij de Bataafse republiek - wist vroeger nooit goed weg met mijn tekeningen. Hij kwam op een tentoonstelling van mijn werk, van Dirkje dus en zei: Goh nou heb je toch weer die tekeningen. Ik zei: Ge, denk je dat vrouwen geen talent hebben?'

    • Max van Rooy