Over goede en slechte seks

Gerrit Manenschijn : Alleen het verbodene lokt

Seksualiteit en moraal in een postmoderne cultuur Ten Have. 317 blz. fl 39,90

'Wo ein Verbot vorliegt, muetanyahu ein Begehren dahinter sein', schreef Sigmund Freud in Totem und Tabu. Dat verklaart de fascinatie die uitgaat van taboes: zij herinneren aan het oorspronkelijk verlangen, hoe diep verborgen dat ook ligt. De verleiding van het verbodene werkt in twee richtingen, stelt de gereformeerde ethicus Gerrit Manenschijn over seksualiteit. Enerzijds lonkt het volmaakte, de zuivere genieting, die kan worden nagestreefd, maar die verdampt zodra zij binnen bereik ligt. Deze grens kan om principiele redenen niet worden overschreden. Aan de andere kant trekt de ultieme slechtheid, waarmee de grens helaas wel kan maar niet mag worden overschreden, omdat daarmee de menselijke waardigheid geschonden wordt.

Over dit laatste grensgebied, met alle schermutselingen die zich daar onder invloed van de afkalving van religieus gezag en het vrijer worden van de zeden hebben voorgedaan, handelt Alleen het verbodene lokt. Het is Manenschijn vooral te doen om twee vormen van grensoverschrijding: incest en pedoseksualiteit; beide zijn, aldus Manenschijn, 'intrinsiek slecht'. De vraag die hij zich stelt is of in de huidige postmoderne cultuur, waarin alle grenzen aan het schuiven zijn, de maatschappelijke weerstand tegen deze verschijnselen kan verdwijnen.

Wie incest zegt zegt Oedipus en Manenschijn begint zijn rondgang langs psychoanalytische antropologische, ethische en theologische literatuur dan ook met deze tragedie van Sophocles. Die maakt de onvoorwaardelijkheid van het incestverbod direct al duidelijk: zelfs tussen volwassenen begaan en in onwetendheid gepleegd is incest onvergeeflijk. Freuds psychologische interpretatie van het Oedipusverhaal benoemde het incestverlangen tot iets algemeen menselijks. Maar niet alleen de wens, ook het taboe op incest is universeel. Op de vraag waarom dat zo is, hebben vele geleerden al hun tanden stuk gebeten. Manenschijn zelf kiest voor een evolutionaire theorie, die voortborduurt op de grondgedachte van Totem und Tabu.

Behalve de oorsprong behandelt Manenschijn ook de functie van het incesttaboe. Die lijkt op die van Kants categorische imperatief, al zijn er ook duidelijke verschillen. Waar de categorische imperatief behoort tot de sfeer van de rationaliteit, behoort het taboe tot die van de sacraliteit, maar beide zijn erop gericht het menselijk gedrag onder een absolute morele wet te plaatsen. Toen een dergelijke wet nog een goddelijke oorsprong kreeg toegedacht, was daar weinig discussie over mogelijk, maar met de komst van minder godvruchtige tijden is dat veranderd.

Dat brengt Manenschijn bij de poging van de Verlichting de moraal te gronden in de menselijke natuur. Ligt hierin niet de bron van relativering van alles wat ooit heilig was, dus ook van het taboe op incest? Manenschijn onderzoekt deze vraag aan de hand van de extreme opvattingen van de achttiende-eeuwse markies De Sade, wiens werken de auteur dermate met afkeer vervullen dat hij er slechts 'in bescheiden mate' kennis van heeft genomen. Voldoende toch om te concluderen dat Sade geen typische exponent is van de Verlichtingsethiek maar een pathologische sadist, die niet de godsdienst als tegenstander nam maar de menselijke waardigheid. Atheisme leidt, zo concludeert Manenschijn, niet noodzakelijk tot immoraliteit. Ook een rationele ethiek kan in dienst staan van de menselijke waardigheid, maar in elke cultuur waarin geweld en uitbuiting niet definitief kunnen worden uitgebannen, zijn taboes nodig om de humaniteit te bewaken.

Dat seksualiteit de morele orde kan verstoren staat vast. Maar dat hoeft niet per se een immorele verstoring a la Sade te zijn. De verstoring kan ook de vorm aannemen van een correctie op een repressieve moraal, zoals bij veel 'taboedoorbreking' van de jaren zestig en zeventig het geval was. Die valt, in de ogen van Manenschijn, positief te waarderen, voor zover de nieuwe variaties voldoen aan twee criteria: menswaardigheid en wederzijds respect. Incest en seks met kinderen doen dat onder geen beding, homoseksualiteit tussen gelijkwaardige partners wel. Voor wie deze criteria hoog heeft, valt tegen de gelijkgeslachtelijke liefde weinig in te brengen. Geloofsgenoot Leen van Dijke kan het ermee doen.

Ondanks alle postmoderne relativering is Manenschijn van mening dat morele waarheden ook vandaag nog steeds van kracht zijn.

De kans dat de samenleving incest en pedoseksualiteit zullen accepteren, acht hij dan ook 'hoogst onwaarschijnlijk'. Het beslissende argument dat hij daarvoor aandraagt, luidt dat beide verschijnselen intrinsiek slecht zijn en dat altijd zullen blijven. Dat komt de lezer bekend voor, want deze vaststelling vormde ook het uitgangspunt van Manenschijns verhandeling die dan ook niet de vorm heeft van lineair betoog, maar is opgebouwd uit een reeks van omtrekkende bewegingen. Alleen het verbodene lokt kan het best gelezen worden omwille van de wandeling op zich, niet om via de kortste route een bestemming te bereiken. Soms is het lastig om onderweg niet te verdwalen, want van duistere wendingen en gammele argumentaties is het boek niet bepaald vrij, maar wie doorzet komt uiteindelijk gesticht en gesterkt weer op het vertrekpunt aan.

    • Annet Mooij