Oudere tijdgenoten

Prof.dr. W.F. Wertheim, die begin deze week overleed, heb ik een keer ontmoet. Dat was in het voorjaar van 1946. Het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, dat het jaar tevoren was opgericht, stelde zich aan het publiek voor met een meerdaagse conferentie in het toen nog bestaande Badhotel in Baarn.

Dat publiek bestond uit de toenmalige politieke, wetenschappelijke en journalistieke elite, plus bedrijfsleven. Onder de aanwezigen herinner ik me minister van Buitenlandse Zaken Van Roijen; de Kamerleden Serrarens en Joekes (de latere minister); Koos Vorrink, voorzitter van de PvdA vergezeld van zijn dochter Irene (die haar lange blonde vlechten verruild had voor wat toen heette een Veronica-Lakekapsel); Den Uyl, toen nog bij Vrij Nederland; dr. W.K.J. Feuilletau de Bruyn, die later dat jaar het comite Handhaving Rijkseenheid zou oprichten; en zijn antipode Wertheim.

Het belang dat mijn krant aan deze gebeurtenis hechtte, kon afgemeten worden aan het feit dat zij haar jongste redacteur afvaardigde. Dat was ik. Er waren natuurlijk nog vele anderen, maar die staan mij niet meer voor de geest of komen nog ter sprake. Op een dag zat ik aan de lunch naast Wertheim, die kort tevoren uit Indonesie, waar hij hoogleraar aan de Rechtshogeschool te Batavia was geweest, was gerepatrieerd. Hij had meegemaakt hoe Britse troepen orde en rust hadden proberen te herstellen na de Japanse capitulatie en de uitroeping van de Republik Indonesia door Soekarno.

Een anekdote die hij me vertelde, herinner ik me levendig. Op een dag ontmoette hij generaal Christison, de bevelhebber van de Britse - meestal Brits-Indische - troepen. Wertheim zei tegen hem: “Wat u nu in Indonesie meemaakt - een opstand tegen het koloniale regime - zult u ook in Brits-Indie meemaken.' O nee, zei Christison. En waarom niet? “Because they love us', was het antwoord.

Met die anekdote wilde Wertheim de kortzichtigheid van de Britten typeren. Kon hij voorzien dat de Nederlandse kortzichtigheid nog groter zou zijn? De Britten zouden een jaar later de onafhankelijkheid van hun grootste kolonie erkennen - zij het dat die gesplitst zou worden in India en Pakistan - en zonder oorlog (het bloedvergieten vond plaats tussen moslims en hindoes).

Nederland zou pas eind 1949 de soevereiniteit aan Indonesie overdragen - na twee oorlogen (eufemistisch politiele acties geheten).

Wertheim had dus wel gelijk dat hij het einde van het koloniale regime voorzag en vond dat Nederland zijn beleid daaraan moest aanpassen. Daartoe was Nederland in 1946 nog helemaal niet bereid - de openbare mening nog minder dan de regering. In die regering was de PvdA een belangrijke partner. Geen wonder dus dat Wertheim bekend stond als nog roder dan rood.

Hij zou nog vaker gelijk hebben tegen het rode establishment. Ontwikkelingshulp (of, met een ander eufemisme, ontwikkelingssamenwerking geheten) werd daar vanaf de jaren '60 een heilige koe. Wertheim zag daar - niet ten onrechte - een andere vorm van koloniale inmenging in. Bovendien vond hij het contraproductief.

In hoeverre ideologie dan wel realisme hem tot deze inzichten had gebracht, is onduidelijk. Voor marxisten is er trouwens geen tegenstelling tussen deze twee begrippen. Maar ten aanzien van communistisch China, dat hij jarenlang als een ontwikkelingsmodel aanprees, leek de ideologie bij hem de overhand te hebben. Lange tijd ontkende hij dat Mao's experimenten tientallen, zo niet honderden miljoenen het leven hadden gekost. Een paar miljoen misschien, maar niet tientallen...

Maar ook hier hoeft een goede marxist zich niet te schamen. Immers, als het marxisme een wetenschap is - wat

marxisten beweren - dan is moraal voor hem een niet terzake doende categorie. In die zin waren Stalin en Mao goede marxisten. Het aantal slachtoffers wordt voor hen pas interessant wanneer het contraproductief gaat werken.

Intussen zijn er geen aanwijzingen dat Wertheim zijn marxisme tot die darwiniaanse extremen volhield.

Zijn ontkenning van de juistheid van het aantal slachtoffers dat aan Mao werd toegeschreven, wijst erop dat hij ergens wel een grens van het toelaatbare zag. Maar waar lag die volgens hem?

Tegen het eind van zijn leven schijnt Wertheim de dwalingen zijns weegs, althans wat China betreft, te hebben ingezien. Ik lees althans in de Volkskrant (4 november) dat hij 'onlangs' voor de NPS-radio erkende dat zijn taxatie van de communistische revolutie in dat land “een grote vergissing van me' was. Dat is een, hoewel late, toch hele zelfoverwinning voor iemand die zich wetenschapsman noemt. Of hij daaruit ook de conclusie trok dat hij voor verscheidene studentengeneraties dus een dwaallicht is geweest, weet ik niet.

Een paar jaar geleden was hij aan zo'n erkenning nog niet toe. In een gesprek met Theun de Vries, ook in de Volkskrant, verdedigde hij nog zijn keus van toen, terwijl de ex-communist De Vries al zijn illusies had opgegeven en door deze eerlijkheid een sympathiekere indruk maakte. Maar ja, voor de reputatie van een romanschrijver staat door zo'n erkenning minder op het spel.

Maar laten we Wertheim nog een keer met instemming citeren: “Alle ervaringen in mijn lange leven hebben mij geleerd nooit iets als definitief te beschouwen. De ene revolutie loopt vast, de ander neemt het over met nieuwe moed en idealen...' Maar achter zijn conclusie zet ik een vraagteken: “...maar het proces van emancipatie dat eraan ten grondslag ligt, blijft altijd doorgaan.' Zolang, zoals deze eeuw nog is gebeurd, miljoenen mensen zich met hart en ziel geven aan bewegingen als fascisme en nationaal-socialisme, die Wertheim toch niet als emancipatiebewegingen zal beschouwen, is dit optimisme niet gerechtvaardigd.

Van die Baarnse bijeenkomst in 1946 is mij nog een voorval bijgebleven. Vorrink mengde zich in het debat. Hij zou kort zijn, kondigde hij aan. Maar binnen de kortste keren stond hij voor het spreekgestoelte en lanceerde hij een filippica tegen de Sovjet-Unie (de Koude Oorlog was nog nauwelijks begonnen). Ik zat aan een tafeltje met H.P.L. Wiessing, oud-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, en hoorde deze tegen Sem Davids, toen bij datzelfde weekblad werkzaam zeggen: “Dat is onze Kerenski.' Wiessing, die een soort cryptocommunist was, verwachtte kennelijk spoedig een bolsjewistische revolutie in Nederland. (De socialist Kerenski was de laatste minister-president van Rusland voor de Oktoberrevolutie.)

Na Vorrinks tirade sprak Joekes die Racine citeerde: “Ni cet exces d'honneur ni cette indignite.' Ik vond dat prachtig. Dat vind ik trouwens nog, al ben ik er intussen achtergekomen dat Joekes dit citaat eigenlijk verkeerd toepaste. Want hij bedoelde te zeggen dat hij Vorrinks verontwaardiging (indignation) overdreven vond, terwijl Racine spreekt van indignite, wat onwaardigheid betekent.