Mijn vader moest papen rapen; Maarten't Hart over liefde en zwarte kousen

Maarten 't Hart : De Vlieger De Arbeiderspers, 227 blz. fl 49,90 (geb.) 34,90 (pbk.)

Het kerkbezoek daalt, de christelijke iconografie raakt vergeten, en de Heere is haast een meneer geworden; maar aan Maarten 't Hart (Maassluis 1944) zal het niet liggen als straks niemand zijn Bijbel meer kent. In zijn romans en verhalen, in zijn autobiografische werk en zijn essayistiek, citeert en parafraseert hij met duivels plezier het ene na het andere bijbelvers. Zelfs in zijn maandelijkse columns in deze krant met hun speelse kritiek op de absurditeiten in beide Testamenten, schemert zijn liefde voor het Boek der Boeken (en de bijbehorende tale Kanaans) door.

Geen wonder dus dat ook in De vlieger, zijn twaalfde roman, flink wordt gestrooid met oud- en nieuw-testamentische verwijzingen. Het onverholen autobiografische boek speelt in een zwartgekoust Zuid-Hollands jaren-vijftigstadje (dit keer 'Boonersluis' genoemd) en heeft een jonge hoofdpersoon die zo bijbelvast is dat hij niet alleen de citaten kan thuisbrengen die zijn vader hem te pas en te onpas toevoegt, maar ook genoeg heeft aan een simpele versaanduiding. 'Toen ik (...) mijn verhaal deed, zei mijn vader, terwijl zijn blik goedkeurend over mij heen streek: 'Mattheus 25 vers 21.'

Af en toe worden de bijbelteksten bovendien met een knipoog becommentarieerd, en heeft de lezer het idee dat hij verzeild is geraakt in een van 't Harts columns; bijvoorbeeld wanneer de vader citeert uit Marcus 9 ('Gij stomme en dove geest, ga uit en kom niet meer terug') en daar aan toevoegt dat het wel eigenaardig is 'dat die dove geest Jezus meteen verstaat, en stom of niet, dadelijk begint te schreeuwen.' Maar dit soort grapjes is functioneel, want de rode draad in De vlieger is de verstoting uit de gereformeerde gemeenschap van een man die twijfelt aan een regel uit het Onze Vader. Waarom, zo redeneert deze buurman van de hoofdpersoon, leert de kerk dat alleen de kruisdood van Jezus onze zonden wegneemt, terwijl er toch geschreven staat: 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren'? God kan ons rechtstreeks vergeven, daar heeft hij het zoenoffer van Zijn zoon echt niet voor nodig.

Het andere denken van deze Gilkinus van Diepenburch - verpakt in bladzijdenlange discussies over relevante ongerijmdheden in de Bijbel - leidt ertoe dat hij 'in etappes' uit de kerk wordt gezet.

Hij krijgt officiele waarschuwingen tijdens de dienst, wordt bezocht door steeds geleerdere dominees en gemeden door al zijn geloofsgenoten - op de vader van de ik-figuur na. Maar Van Diepenburch houdt vol, met hetzelfde heilig vuur dat zijn schepper Maarten 't Hart tentoonspreidt in zijn bijbelcolumns. '“Het is een stomme eendvogel', zei mijn vader herhaaldelijk (...) “hij zit ze gewoon te treiteren, die ouderlingen, hij is er gewoon op uit om ze alle hoeken en gaten van het Nieuwe Testament te laten zien. Je snapt het niet. Het is net alsof hij bezeten is'.'

Zo samengevat lijkt De vlieger een gereformeerde variatie op Willem Elsschots roman De verlossing, waarin een winkelier in een kleine gemeenschap de strijd aanbindt met een pastoor. Maar het einde is minder dramatisch, aangezien Van Diepenburch geen wraak neemt op zijn tegenstanders en samen met zijn even mooie als onaangepaste dochter de wijk neemt naar het liberale Delft. Daarbij is zijn verhaal maar een van de drie lijnen in de roman, die zoals veel werk van 't Hart ook gaat over de liefde voor een ongenaakbaar meisje en de verhouding tussen een vader en zijn zoon.

'Hij is nu bijna een kwarteeuw dood (...) in al die jaren is er geen dag voorbijgegaan waarop ik niet aan hem gedacht heb', concludeert het alter ego van 't Hart in de epiloog van De vlieger, wanneer hij na veertig jaar als gelauwerd romancier weer terugkeert in het stadje van zijn jeugd. Net als in De aansprekers (1979) is de vader, een goedmoedig gereformeerde grafdelver, het opvallendste personage. Zijn humor, zijn joviale spreektaaltje en zijn common sense dragen het verhaal. Zijn strubbelingen met de wereldlijke overheid, die wil dat hij de stoffelijke resten van het rooms-katholiek kerkhof verhuist ('papen rapen' noemt hij dat) weerspiegelt het conflict van zijn buurman met de gereformeerde kerk.

De vlieger zit hecht in elkaar. De verhalen van de vader en de buurman zijn mooi verweven met de herinnering van de ik-figuur aan zijn gereformeerde jeugd, die gekenmerkt wordt door twee liefdes: voor de dochter van Van Diepenburch en voor zijn vader. En wat alle lijnen met elkaar verbindt, is de vlieger die de vader voor zijn zoon maakt van het verpakkingsmateriaal van een grafmonument; een vlieger die natuurlijk ook het symbool is voor de gelovige die langzaam losraakt van zijn kerkgemeenschap.

Toch kun je De vlieger moeilijk een goede roman noemen, tenzij je bereid bent om 't Harts rommelige taalgebruik voor lief te nemen. Zijn archaische, jongensboekachtige verteltrant, doorspekt met woorden als 'doodgemoedereerd' en 'zodoende', is voor sommige lezers ongetwijfeld een acquired taste. Maar zelfs 't Hart-fans zullen moeite hebben met de soms wel erg schrijftalige dialogen, het lollige maar ook onwaarachtige idioom van de vader, en des schrijvers hebbelijkheid om een taalvondst ('papen rapen', 'urbien et orbien, 'bunzig') tot vervelens toe te herhalen. Het is met 't Hart zoals met de glazenwasser uit de conference van Wim Sonneveld: hij zingt wel lekker, 't komt alleen zo rottig zijn strot uit.

Om de stijl hoef je De vlieger niet te lezen; het zijn de kleine anekdotes en jeugdherinneringen die de roman voor de liefhebbers de moeite waard maken. Zo is er een mooie passage waarin twee opgeschoten jongens de Maarten-figuur zijn vlieger afhandig maken. Uit angst voor een minachtende reactie van zijn vader besluit hij het aantal belagers te verdrievoudigen en van hun roestige mesje 'een splinternieuw vlijmscherp zakmes te maken' - het begin van een schrijverschap dat de werkelijkheid naar zijn hand zet.

Ten minste zo aardig zijn 't Harts beschrijvingen van de rituelen van de gereformeerde kerk: de debatten over de toelaatbaarheid van de middenscheiding in het haar van de nieuwe dominee, het gebakkelei over bijbelteksten, de manier waarop het Heilig Avondmaal verbonden wordt met de collecte.

In dat soort literaire antropologie is Maarten 't Hart op zijn best. Als zijn alter ego in de epiloog van De vlieger overweegt om een historische roman te schrijven over het Sluise zangberijmingsoproer (1775), denk je dan ook: dat boek zou ik dolgraag willen lezen.